Anda di halaman 1dari 233

NBN ENV 1995-1-1

Versie februari 1999



Eurocode 5 Ontwerp en berekening van houtconstructies
Deel 1-1 : Algemene regels en regels voor gebouwen

Eurocode 5 Design of timber structures Part 1-1 : General rules and rules for buildings

NEDERLANDSTALIGE VERSIE + NATIONAAL TOEPASSINGSDOCUMENT







Blz. 2 bis


INLEIDING BIJ HET NATIONAAL BELGISCH TOEPASSINGSDOCUMENT VAN
DE ENV 1995-1-1 (Eurocode 5 deel 1.1)

Deze norm is het nationaal Belgisch toepassingsdocument van de Europese norm ENV 1995-1-1
(Eurocode 5 - deel 1.1) en werd opgemaakt door een werkgroep waaraan deelnamen:


P. Van den Bossche (Technisch Centrum der Houtnijverheid), Voorzitter
V. Michel (Polytechnische Faculteit Bergen), Secretaris
L. Vyncke (N.V./S.A. Spanbo)
P. Vandenbosch (Bureau SECO)
M. Van Wetter (Studiebureau M.& A. Van Wetter)
H. De Bleecker (C.S.T.C. / W.T.C.B.)
F. Detobel (Mitek)
A. Vinckier (Rijksuniversiteit Gent)
R. Targowski (Polytechnische Faculteit Bergen)

In dit document vindt men
Op de rechter bladzijde: de officile Nederlandstalige versie van de ENV 1995-1-1
Op de linker bladzijde: de eventuele verbeteringen door de hoger vernoemde werkgroep

Men vindt er verschillende omkaderde teksten aangeduid met de letter V , A of C wat de
volgende betekenis heeft:
V als de desbetreffende ENV tekst eenvoudigweg dient vervangen te worden door de
omkaderde tekst;
A betekent een aanvulling op de desbetreffende ENV tekst. De omkaderde tekst is een
toelichting op de ENV tekst;
C voor een commentaar op de desbetreffende ENV tekst De omkaderde tekst is bedoeld als
uitleg voor de lezer.


Verdere informatie kan bekomen worden bij de voorzitter van de werkgroep:

Ir. P. Van den Bossche
Centre Technique de l'Industrie du bois / Technisch Centrum der Houtnijverheid
Alle Hof ter Vleest, 3
Bruxelles 1070
Tel. : +32 (2) 558 15 50
Fax : +32 (2) 558 15 89

EUROPESE VOORNORM ENV 1995-1-1
EUROPISCHE VORNORM
EUROPEAN PRESTANDARD
PRENORME EUROPEENNE december 1993
_________________________________________________________
ICS 91.080.20


Trefwoorden : Gebouwen, houtconstructies, berekeningen, bouwvoorschriften, rekenregels


Nederlandse versie

Eurocode 5 : Ontwerp en berekening van houtconstructies
Deel 1-1 : Algemene regels en regels voor gebouwen


Eurocode 5 : Bemessung und
Konstruktion von Holzbauwerken
Teil 1-1 : Algemeine Regeln und
Bemessungsregeln fr den
Hochbau

Eurocode 5 : Design of timber
structures Part 1-1 : General
rules and rules for buildings
Eurocode 5 : Calcul des
structures en bois
Partie 1-1 : Rgles
gnrales et rgles pour
les btiments



Deze Voornorm is de Nederlandse versie van de Europese Voornorm ENV 1995-1-1:1993.
Hij is vertaald door het NNI. Hij heeft dezelfde status als de officile versies.

Deze Europese Voornorm (ENV) is door de CEN aangenomen op 1992-11-20 als een
toekomstige norm voor voorlopige toepassing. De geldigheid van deze ENV is in beginsel
beperkt tot drie jaar. Na twee jaar worden de leden van CEN gevraagd hun commentaar te
leveren, in het bijzonder over de vraag of deze ENV in een Europese norm (EN) kan worden
omgezet.

De CEN-leden zijn verplicht het bestaan van deze ENV bekend te maken op dezelfde wijze als
een EN en moeten de ENV op nationaal niveau in een geschikte vorm beschikbaar stellen.
Bestaande tegenstrijdige nationale normen mogen van toepassing blijven ( parallel aan de
ENV) totdat de uiteindelijke beslissing over de mogelijke omzetting van de ENV in een EN is
genomen.

Leden van de CEN zijn de nationale normalisatie-instituten van Belgi, Denemarken, Duitsland,
Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Itali, Luxemburg, Nederland, Noorwegen,
Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.



C E N
Europese Commissie voor Normalisatie
Europisches Komitee fr Normung
European Committee for Standardization
Comit Europen de Normalisation

Centraal Secretariaat : Stassartstraat, 36 B-1050 Brussel

_____________________________________________________________________________
1993 Auteursrechten voorbehouden aan de CEN-leden Ref. Nr. ENV 1995-1-1:1993Nl



Blz. 2
ENV 1995-1-1:1993



Inhoudsopgave

Voorwoord 9

1. INLEIDING 11

1.1 Onderwerp en toepassingsgebied 11

1.1.1 Onderwerp en toepassingsgebied van Eurocode 5 11
1.1.2 Onderwerp en toepassingsgebied van deel 1-1 van Eurocode 5 11
1.1.3 Verdere delen van Eurocode 5 12

1.2 Onderscheid tussen principes en toepassingsregels 12

1.3 Aannamen 12

1.4 Definities 13

1.4.1 Gemeenschappelijke begrippen in alle Eurocodes 13
1.4.2 Bijzondere begrippen gebruikt in deel 1-1 van Eurocode 5 14

1.5 SI Eenheden 14

1.6 Symbolen gebruikt in deel 1-1 van Eurocode 5 15

1.6.1 Algemeen 15
1.6.2 Symbolen gebruikt in Hoofdstuk 2 15
1.6.3 Symbolen gebruikt in Hoofdstukken 3 - 7 en in de Bijlagen 16

1.7 Verwijzingen 17

2. UITGANGSPUNTEN VOOR ONTWERP EN BEREKENING 21

2.1 Fundamentele eisen 21

2.2 Definities en indelingen 21

2.2.1 Grenstoestanden en ontwerpsituaties 21
2.2.1.1 Grenstoestanden 21
2.2.1.2 Ontwerpsituaties 22

2.2.2 Belastingen 22
2.2.2.1 Definities en hoofdindelingen 22
2.2.2.2 Karakteristieke waarden van de belastingen 23
2.2.2.3 Representatieve waarden van de veranderlijke belastingen 24
2.2.2.4 Rekenwaarden van de belastingen 24
2.2.2.5 Rekenwaarden van de belastingseffecten 25

2.2.3 Materiaaleigenschappen 25
2.2.3.1 Karakteristieke waarden 25
2.2.3.2 Rekenwaarden 25

2.2.4 Geometrische gegevens 26

2.2.5 Belastingsconfiguraties en belastingsgevallen 26


Blz. 3
ENV 1995-1-1:1993



2.3 Eisen gesteld aan ontwerp en berekening 26

2.3.1 Algemeen 26

2.3.2 Uiterste grenstoestanden 26
2.3.2.1 Toetsingsvoorwaarden 26
2.3.2.2 Belastingscombinaties 27
2.3.2.3 Rekenwaarden van de permanente belastingen 28

2.3.3 Partile belastingsfactoren voor uiterste grenstoestanden 29
2.3.3.1 Partile belastingsfactoren voor belastingen op bouwconstructies 29
2.3.3.2 Partile materiaalfactoren 30

2.3.4 Bruikbaarheidsgrenstoestanden 30

2.4 Duurzaamheid 31

2.4.1 Algemeen 31

2.4.2 Weerstand tegen biologische organismen 31

2.4.3 Weerstand tegen corrosie 31


3. MATERIAALEIGENSCHAPPEN 33

3.1 Algemeen 33

3.1.1 Sterkte- en stijfheidsparameters 33
3.1.2 Karakteristieke waarden 33
3.1.3 Spanning-rekverhoudingen 33
3.1.4 Rekenmodellen 33
3.1.5 Klimaatklassen 34
3.1.6 Belastingsduurklassen 34
3.1.7 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 35

3.2 Gezaagd hout 36

3.2.1 Sorteren 36
3.2.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte, de stijfheid en de volumieke massa 36
3.2.3 Houtafmetingen 36
3.2.4 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 37
3.2.5 Vingerlassen 37

3.3 Gelamineerd hout 37

3.3.1 Prestatie-eisen 37
3.3.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid 37
3.3.3 Afmetingen van gelamineerd hout 38
3.3.4 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 38
3.3.5 Volle-doorsnede vingerlassen 38


Blz. 4
ENV 1995-1-1:1993



3.4 Houtachtige materialen 38

3.4.1 Triplex 38
3.4.1.1 Eisen 38
3.4.1.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid 39
3.4.1.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 39

3.4.2 Spaanplaat 39
3.4.2.1 Eisen 39
3.4.2.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid 39
3.4.2.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 39

3.4.3 Vezelplaat 40
3.4.3.1 Eisen 40
3.4.3.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid 40
3.4.3.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur 40

3.5 Lijmen 40

4 BRUIKBAARHEIDSGRENSTOESTANDEN 41

4.1 Algemene eisen 41

4.2 Verschuiving in de verbindingen 43

4.3 Eisen voor de doorbuigingen 44

4.3.1 Liggers 44
4.3.2 Vakwerken 44

4.4 Trillingen 45

4.4.1 Algemeen 45
4.4.2 Trillingen door machines 45
4.4.3 Trillingen van vloeren 45

5 UITERSTE GRENSTOESTANDEN 47

5.1 Basiseisen 47

5.1.1 Algemeen 47
5.1.2 Trek evenwijdig aan de vezel 47
5.1.3 Trek loodrecht op de vezel 47
5.1.4 Druk evenwijdig aan de vezel 47
5.1.5 Druk onder een hoek met de vezel 47
5.1.6 Buiging 48

5.1.7 Afschuiving 49
5.1.7.1 Algemeen 49
5.1.7.2 Liggers met een verjonging bij de oplegging 49

5.1.8 Torsie 51

5.1.9 Gecombineerde buig- en axiale trekspanningen 51

5.1.10 Gecombineerde buig- en axiale drukspanningen 51


Blz. 5
ENV 1995-1-1:1993



5.2 Kolommen en liggers 52

5.2.1 Kolommen 52
5.2.2 Liggers 53
5.2.3 Liggers met eenzijdig verlopende hoogte 53
5.2.4 Liggers met tweezijdig verlopende hoogte, gekromde liggers en zadeldakliggers 54

5.3 Samengestelde constructiedelen 57

5.3.1 Gelijmde liggers met lijven van houtachtige plaatmaterialen 57
5.3.2 Gelijmde liggers met flenzen van houtachtige plaatmaterialen 59
5.3.3 Mechanisch verbonden liggers 61
5.3.4 Mechanisch verbonden kolommen en gelijmde kolommen 61

3.4 Samengestelde constructies 62

5.4.1 Vakwerken 62
5.4.1.1 Algemeen 62
5.4.1.2 Berekening van de krachtverdeling 62
5.4.1.3 Vereenvoudigde berekening van de krachtverdeling 63
5.4.1.4 Toetsing van de sterkte van de onderdelen 63
5.4.1.5 Vakwerken met hechtplaten 64

5.4.2 Dak- en vloerschijven 64

5.4.3 Wandschijven 65

5.4.4 Raamwerken 67

5.4.5 Stabiliteitsverbanden 69
5.4.5.1 Algemeen 69
5.4.5.2 Enkelvoudige constructie-onderdelen belast op druk 69
5.4.5.3 Stabiliteit van ligger- of vakwerksystemen 70

5.4.6 Belastingsspreiding 71

6 VERBINDINGEN 72

6.1 Algemeen 72

6.2 Draagkracht van op afschuiving belaste stiftvormige verbindingsmiddelen 73

6.2.1 Hout-op-hout en plaatmateriaal-op-hout verbindingen 73

6.2.2 Staal-op-hout verbindingen 75

6.2.3 Verbindingen met meer sneden 77

6.3 Genagelde verbindingen 77

6.3.1 Op afschuiving belaste nagels 77
6.3.1.1 Algemeen 77
6.3.1.2 Genagelde hout-op-hout verbindingen 77
6.3.1.3 Genagelde plaatmateriaal-op-hout verbindingen 80
6.3.1.4 Genagelde staal-op-hout verbindingen 80



Blz. 6
ENV 1995-1-1:1993



6.3.2 Op trek belaste nagels 80

6.3.3 Op trek en afschuiving belaste nagels 82

6.4 Geniete verbindingen 82

6.5 Geboute verbindingen 82

6.5.1 Op afschuiving belaste bouten 82
6.5.1.1 Algemeen 82
6.5.1.2 Geboute hout-op-hout verbindingen 82
6.5.1.3 Geboute plaatmateriaal-op-hout verbindingen 83
6.5.1.4 Geboute staal-op-hout verbindingen 84

6.5.2 Op trek belaste bouten 84

6.6 Stiftverbindingen 84

6.7 Geschroefde verbindingen 85

6.7.1 Op afschuiving belaste schroeven 85
6.7.2 Op trek belaste schroeven 85
6.7.3 Op trek en afschuiving belaste schroeven 85

6.7 Verbindingen met hechtplaten 86

7 CONSTRUCTIEVE DETAILLERING EN CONTROLE 87

7.1 Algemeen 87

7.2 Materialen 87

7.3 Gelijmde verbindingen 87

7.4 Verbindingen met mechanische verbindingsmiddelen 88

7.5 Montage 88

7.6 Transport en opbouw 88

7.7 Controle 89

7.7.1 Algemeen 89
7.7.2 Productie en vakmanschap 89
7.7.3 Controle na gereedkomen van de constructie 89

7.8 Bijzondere regels voor constructies met schijven 90

7.8.1 Dak- en vloerschijven 90
7.8.2 Wandschijven 90

7.9 Bijzondere regels voor vakwerken met hechtplaten 91

7.9.1 Vervaardiging 91
7.9.2 Opbouw 91



Blz. 7
ENV 1995-1-1:1993



BIJLAGEN

Bijlage A (Informatief) 92
BEPALING VAN DE 5-PERCENTIEL KARAKTERISTIEKE WAARDE VAN
BEPROEVINGSRESULTATEN EN ACCEPTATIECRITERIA VOOR EEN
STEEKPROEF

A1 Onderwerp en toepassingsgebied 92
A2 Bepaling van de 5-percentiel karakteristieke waarde 92

A2.1 Eisen 92
A2.2 Methode 92

A3 Acceptatiecriteria voor een steekproef 93

A3.1 Eisen 93
A3.2 Methode 93


Bijlage B (Informatief) 95
MECHANISCH VERBONDEN LIGGERS

B1 Algemeen 95

B1.1 Dwarsdoorsneden 95
B1.2 Constructies en aannamen 95
B1.3 Tussenafstanden 95
B1.4 Doorbuigingen ten gevolge van buigende momenten 95

B2 Effectieve buigstijfheid 97

B3 Normaalspanningen 97

B4 Maximale afschuiving 97

B5 Belasting op verbindingsmiddelen 97


Bijlage C (Informatief) 98
SAMENGESTELDE KOLOMMEN

C1 Algemeen 98

C1.1 Aannamen 98
C1.2 Draagkracht 98

C2 Mechanisch verbonden kolommen 98

C2.1 Aannamen 98
C2.2 Effectieve slankheid 98
C2.3 Belasting op verbindingsmiddelen 99
C2.4 Gecombineerde belastingen 99



Blz. 8
ENV 1995-1-1:1993



C3 Samengestelde kolommen verbonden met klossen of koppelplaten 99

C3.1 Aannamen 99
C3.2 Axiale draagkracht 100
C3.3 Belasting op de verbindingsmiddelen van koppelplaten en klossen 101

C4 Samengestelde kolommen gekoppeld met gelijmde of genagelde diagonalen 102

C4.1 Constructies 102
C4.2 Draagkracht 103
C4.3 Dwarskrachten 104


Bijlage D (Normatief) 105
ONTWERP VAKWERKEN MET HECHTPLATEN

D1 Algemeen 105

D2 Verbindingen 105

D3 Berekening van de krachtverdeling 106

D4 Vereenvoudigde berekening van de krachtverdeling 106

D5 Toetsing van de sterkte van de onderdelen 106

D6 Toetsing van de sterkte van hechtplaten 107

D6.1 Algemeen 107
D6.2 Geometrie van de hechtplaat 107
D6.3 Draagkracht van de hechtplaat 108
D6.4 Verankeringssterkten 108
D6.5 Toetsing van de sterkte van de verbinding 109
D6.5.1 Verankeringsstrekte van de plaat 109
D6.5.2 Draagkracht van de plaat 109
D6.5.3 Minimale eisen aan de verankering 110
Blz. 9 bis









































C De benaming EN 199i of Eurocode i (met i 1..9) wordt gebruikt voor de aanduiding van
een definitieve norm terwijl de benaming ENV 199i (met i 1..9) eerder gebruikt wordt om
aan voorlopige norm aan te duiden.
Blz. 9
ENV 1995-1-1:1993




0 VOORWOORD

0.1 Doelstellingen van de Eurocodes

De Eurocodes vormen een serie normen voor constructief en geotechnisch ontwerp en
berekening van gebouwen en civieltechnische werken. Het toepassingsgebied van de
Eurocodes strekt zich uit over uitvoering en controle voor zover dit noodzakelijk is om de
kwaliteit van de bouwproducten en het niveau van vakbekwaamheid aan te geven, zowel
op de bouwplaats als daarbuiten, nodig om te voldoen aan de uitgangspunten van
ontwerp- en rekenregels. Zolang de noodzakelijke serie geharmoniseerde technische
specificaties voor producten en beproevingsmethoden voor het vaststellen van hun gedrag
niet beschikbaar is, kan het toepassingsgebied van de Eurocodes zich over enkele van
deze aspecten uitstrekken.

De Eurocodes zijn bedoeld om te dienen als referentie voor de volgende doeleinden:

(a) als middel om aan te tonen dat gebouwen en civieltechnische werken voldoen aan
de fundamentele voorschriften van de Richtlijn Bouwproducten ;
(b) als een raamwerk voor het opstellen van geharmoniseerde technische specificaties voor
bouwproducten.


0.2 Achtergrond van het Eurocode programma

De Commissie van de Europese Gemeenschappen (CEG) heeft het initiatief genomen om
een reeks geharmoniseerde technische regels voor ontwerp en berekening van gebouwen
en civieltechnische werken op te stellen die in eerste instantie zouden dienen als een
alternatief voor de verschillende van kracht zijnde regels in de verschillende Lidstaten en
deze uiteindelijk zouden gaan vervangen. Deze technische regels zijn bekend geworden
als 'Constructieve Eurocodes'.

Na raadpleging van de respectieve Lidstaten droegen de CEG en het EVA-secretariaat in
1990 de verdere ontwikkeling, uitgave en herziening van de Constructieve Eurocodes
over aan de CEN.

De Technische Commissie CEN/TC 250 van de CEN is verantwoordelijk voor de
Constructieve Eurocodes.


0.3 Het Eurocode programma

Aan de volgende Eurocodes wordt gewerkt, waarbij ieder meerdere delen omvat :

EC1 Eurocode 1 Ontwerpgrondslagen en belastingen op constructies
EC2 Eurocode 2 Ontwerp en berekening van betonconstructies
EC3 Eurocode 3 Ontwerp en berekening van staalconstructies
EC4 Eurocode 4 Ontwerp en berekening van staal-beton constructies
EC5 Eurocode 5 Ontwerp en berekening van houtconstructies
EC6 Eurocode 6 Ontwerp en berekening van metselwerk
EC7 Eurocode 7 Geotechnisch ontwerp
EC8 Eurocode 8 Ontwerpbepalingen voor constructies in gebieden met
aardbevingen
EC9 Eurocode 9 Ontwerp en berekening van aluminiumconstructies
(indien opgenomen in mandaat)



Blz. 10
ENV 1995-1-1:1993



Voor elke van de hierboven genoemde Eurocode is door CEN/TC 250 een subcommissie
ingesteld.

Dit deel van Eurocode EC5 voor het ontwerp en de berekening van houtconstructies, dat
onder supervisie van de CEG is afgerond en goedgekeurd voor publicatie, wordt door
CEN uitgegeven als Europese Voornorm (ENV). Hij is bedoeld om ervaring op te doen
bij de toepassing ervan in de praktijk van het ontwerpen en berekenen van gebouwen en
civieltechnische werken aangegeven in het toepassingsgebied volgens 1.1.2. van de
voornorm.

Respons en commentaar op deze voornorm kan worden ingediend bij het Secretariaat van
de subcommissie SC5 op het volgende adres:

SIS
BST
Drottning Kristinas vg 73
S-11428 STOCKOLM


0.4 Nationale Application Documents

Met het oog op de verantwoordelijkheid van de Lidstaten voor de veiligheid, gezondheid
en andere onderwerpen waarop de fundamentele voorschriften betrekking hebben, zijn
aan bepaalde grootheden die de veiligheid betreffen in deze ENV indicatieve waarden
toegekend. Van de overheden in elke Lidstaat worden verwacht dat zij aan deze
grootheden betreffende de veiligheid definitieve waarden toekennen.

Vele van de ondersteunende normen, inclusief die normen die de waarden geven voor de
belastingen die in rekening moeten worden gebracht en de vereiste maatregelen met
betrekking tot brandwerendheid, zullen niet beschikbaar zijn tegen de tijd dat deze
voornorm wordt uitgegeven. Verwacht wordt daarom dat door elke Lidstaat of haar
normalisatie-instituut een Nationaal Applicatie Document zal worden uitgegeven, waarin
aan de grootheden betreffende de veiligheid definitieve waarden worden toegekend.
Daarnaast zal dit document moeten verwijzen naar daaraan aansluitende en
ondersteunende normen en nationale richtlijnen voor de toepassing van deze voornorm.
Deze voornorm behoort te worden gebruikt in combinatie met het National Application
Document van het land waarin het gebouw komt te staan of het civieltechnische wek zich
zal bevinden.
Blz. 11bis






























P(5) V De Eurocode 5 geeft geen numerieke waarden voor de belastingen op gebouwen en
civieltechnische werken waarmee in het ontwerp moet worden rekening gehouden. Deze
vindt men in de ENV 1991 Eurocode 1 "Ontwerpgrondslagen en belastingen op
constructies", en in het bijhorend nationaal toepassingsdocument.










P(3) V De hoofdstukken 1 en 2 zijn dezelfde voor alle Eurocodes, met uitzondering van enkele
bijkomende bepalingen die eigen zij aan houtconstructies.

Blz. 11
ENV 1995-1-1:1993



1 INLEIDING

1.1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.1.1 Onderwerp en toepassingsgebied van Eurocode 5

P(1) Eurocode 5 is van toepassing op het ontwerp en de berekening van houtconstructies, dat
wil zeggen draagconstructies vervaardigd van hout (massief hout, gezaagd, geschaafd of
als rondhout, en gelijmd gelamineerd hout) of houtachtige plaatmaterialen en met elkaar
verbonden door middel van lijm of mechanische bevestigingsmiddelen. De norm bestaat
uit verschillende delen, zie 1.1.2 en 1.1.3.

P(2) Eurocode 5 behandelt uitsluitend de eisen met betrekking tot het draagvermogen, de
bruikbaarheid en de duurzaamheid van de draagconstructies. Andere eisen, zoals
bijvoorbeeld eisen met betrekking tot de thermische of geluidsisolatie, blijven buiten
beschouwing.

P(3) De uitvoering
1)
van gebouwen en civieltechnische werken wordt slechts behandeld voor
zover noodzakelijk om de kwaliteit van de te gebruiken bouwmaterialen en producten en
het op de bouwplaats benodigde niveau van vakbekwaamheid aan te geven,opdat
overeenstemming met datgene waar de voorschriften voor het ontwerp en de berekening
van uitgaan worden bereikt. Uitvoering en vakbekwaamheid worden behandeld in
hoofdstuk 7, en moeten worden beschouwd als minimumeisen die voor bepaalde typen
gebouwen of civieltechnische werken en bouwmethoden
1)
wellicht verder moeten worden
ontwikkeld.

P(4) In Eurocode 5 worden de specifiek eisen die gelden voor de berekening op
aardbevingskrachten niet behandeld. Desbetreffende bepalingen zijn te vinden in
Eurocode 8 "Ontwerpbepalingen voor de bestandheid van constructies tegen
aardbevingen"
2)
die een aanvulling vormt op Eurocode 5.

P(5) Eurocode 5 geeft geen numerieke waarden voorde belastingen op gebouwen of
civieltechnische werken waarmee in het ontwerp rekening moet worden gehouden. Deze
worden gegeven in Eurocode 1 "Ontwerpgrondslagen en belastingen op constructies"
2)
.

1.1.2 Onderwerp en toepassingsgebied van deel 1-1 van Eurocode 5

P(1) Deel 1-1 van Eurocode 5 geeft een algemene grondslag voor de het ontwerp en de
berekening van bouwkundige en civieltechnische werken.

P(2) Bovendien geeft deel 1-1 gedetailleerde regels die voornamelijk op gebruikelijke
(draag)constructies van toepassing zijn. De toepasbaarheid van deze regels kan, om
praktische redenen of ten gevolge van vereenvoudigingen, beperkt zijn; het gebruik en de
eventuele beperkingen van de toepasbaarheid ervan worden waar nodig in de tekst
aangegeven.

P(3) De hoofdstukken 1 en 2 van alle Eurocodes zijn gelijk, met uitzondering enkele
aanvullende bepalingen noodzakelijk voor houtconstructies.

P(4) In Deel 1.1 wordt niet behandeld :
- het ontwerp van bruggen ;
- brandwerendheid ;



1)
Zie 1.4.1 (2) voor de definitie van dit begrip


2)
Momenteel in ontwerp


Blz. 12
ENV 1995-1-1:1993



- het ontwerp van constructies die langdurig worden blootgesteld aan temperaturen
boven 60C ;
- specifieke aspecten van speciale constructies.

1.1.3 Verdere delen van Eurocode 5

P(1) De verdere delen van Eurocode 5, die momenteel worden voorbereid of zijn voorzien,
zijn:
Deel 1-2 Aanvullende eisen ten aanzien van brandwerendheid
Deel 2 Bruggen (in voorbereiding)

1.2 Onderscheid tussen principes en toepassingsregels

P(1) In deze Eurocode wordt, afhankelijk van de aard van de individuele bepalingen,
onderscheid gemaakt tussen principes en toepassingsregels.

P(2) De Principes omvatten:

- algemene uiteenzettingen en definities waarvoor geen alternatief bestaat, alsmede
uit
- eisen en rekenkundige modellen waarvoor geen alternatief is toegelaten, tenzij dit
duidelijk is aangegeven.

P(3) De principes worden door de letter P voorafgegaan.

P(4) De toepassingsregels zijn algemeen aanvaarde regels die volgen uit de principes en
waarmee wordt voldaan aan de daarin gestelde eisen.

P(5) Het is toegelaten een alternatieve ontwerpregel toe te passen, die afwijkt van de
toepassingsregels in deze Eurocode, indien wordt aangetoond dat de alternatieve regels in
overeenstemming zijn met de desbetreffende principes en daarmee ten minste hetzelfde
draagvermogen en de zelfde bruikbaarheid en duurzaamheid van de constructie wordt
bereikt als met deze Eurocode.

1.3 Aannamen

P(1) De volgende aannamen zijn van toepassing:

- Draagconstructies worden ontworpen door voldoende gekwalificeerd en ervaren
personeel;

- In de fabrieken, assemblagehallen en op de bouwplaats wordt in voldoende mate
toezicht gehouden en de kwaliteit bewaakt;

- De bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd door personeel dat over de vereiste
vakbekwaamheid en ervaring beschikt;

- De constructiematerialen en -producten worden gebruikt zoals is aangegeven in deze
Eurocode of in de desbetreffende materiaal- of productspecificaties;

- De draagconstructie zal deugdelijk worden onderhouden;

- De draagconstructie zal worden gebruikt in overeenstemming met het programma
van eisen.

Blz. 13 bis




P(3) V Normaal zijn de omkaderde waarden van toepassing. De omkaderde waarden zijn niet van
toepassing enkel en alleen als de wijzigingen duidelijk zijn aangegeven.








Blz. 13
ENV 1995-1-1:1993



P(2) De ontwerpprocedures gelden alleen indien tevens is voldaan aan de eisen ten aanzien
van uitvoering en vakbekwaamheid die in hoofdstuk 7 zijn vermeld.

P(3) Numerieke waarden die met zijn aangegeven, gelden als indicaties. Door de lidstaten
kunnen andere waarden zijn gespecificeerd.

1.4 Definities

1.4.1 Gemeenschappelijke begrippen in alle Eurocodes

P(1) Tenzij anders is vermeld, wordt de terminologie volgens de internationale norm ISO 8930
gebruikt.

P(2) De volgende begrippen zijn in alle Eurocodes gelijk en hebben de volgende betekenis:

- Bouwwerk: Alles dat is gebouwd of het resultaat is van bouwactiviteiten.
3)
Dit
begrip geldt zowel voor gebouwen als voor civieltechnische werken. Het heeft
betrekking op het complete bouwwerk en omvat zowel constructieve als niet-
constructieve elementen.
- Uitvoering: De activiteit benodigd voor de realisatie van een gebouw of
civieltechnische werken. het begrip omvat het werk op de bouwplaats; het kan
ook de fabricage van onderdelen elders en de montage daarvan daarna op de
bouwplaats aanduiden.
Opmerking:
In het Engels kan, wanneer hierdoor geen verwarring ontstaat, het begrip
"construction" in een aantal woordcombinaties voorkomen (bijvoorbeeld "during
construction" wat betekent "tijdens de uitvoering").
- Draagconstructie: Gestructureerde combinatie van verbonden onderdelen die
bedoeld is om voor een zekere mate van stijfheid te zorgen
4)
. Dit begrip heeft
betrekking op dragende delen.
- Type bouwwerk: Typering die het beoogde doel van het bouwwerk aangeeft,
bijvoorbeeld woonhuis, industrieel gebouw, verkeersbrug.
Opmerking
De uitdrukking "Type of construction works" wordt in het Engels niet gebruikt.
- Type draagconstructie: Term waarmee de aard van de constructie-elementen
wordt aangegeven, bijvoorbeeld ligger, vakwerkconstructie, boog, hangbrug.
- Constructiemateriaal: Materiaal dat in een bouwwerk wordt gebruikt,
bijvoorbeeld beton, staal, hout, metselwerk.
- Bouwwijze: Term waarmee het belangrijkste materiaal dat in de constructie is
gebruikt wordt aangegeven, bijvoorbeeld gewapend-betonconstructie,
staalconstructie, houtconstructie, constructie van metselwerk.
- Bouwmethode: Wijze waarop de bouw zal worden uitgevoerd, bijvoorbeeld in het
werk gestort, geprefabriceerd, vrije-uitbouwmethode.
- constructief systeem: De dragende elementen van een gebouw of civieltechnisch
werk en de wijze waarop deze elementen worden geacht te functioneren, ten
behoeve van de schematisering van de constructie.



3)
Deze definitie komt overeen met de Internationale Norm ISO 6707 Deel 1.


4)
De Internationale Norm ISO 6707 Deel 1 geeft dezelfde definitie, maar voegt daar nog aan toe "of een
bouwwerk dat zodanig is ingericht". Deze toevoeging wordt niet in Eurocodes gebruikt om te voorkomen
dat er vertalingen met uiteenlopende interpretaties ontstaan.


Blz. 14
ENV 1995-1-1:1993




1.4.2 Bijzondere begrippen gebruikt in deel 1-1 van Eurocode 5

P(1) De onderstaande termen zijn gebruikt in dit Deel met de volgende betekenis:
- Triplex met symmetrische opbouw: Triplex waarin de binnenste lagen en de
deklagen ten aanzien van dikte en soort symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte
van het middenvlak.
- Karakteristieke waarde: De karakteristieke waarde is gewoonlijk die waarde, die
met een voorgeschreven waarschijnlijkheid niet wordt bereikt in een
hypothetische testserie van oneindige omvang, dat wil zeggen een fractielwaarde
in de statistische verdeling van de eigenschap. De karakteristieke waarde kan een
onderste of een bovenste grenswaarde zijn, als de voorgeschreven waarde
respectievelijk lager of hoger is dan 0,50.
- Stift: Ronde cilindrische staaf, meestal van staal (maar eventueel ook van een
ander metaal, kunststof of hout), die nauw passend in voorgeboorde gaten wordt
aangebracht, met als doel de krachten loodrecht op de staafas over te brengen.
- Evenwichtsvochtgehalte: Het vochtgehalte van hout waarbij het hout geen vocht
opneemt of afstaat aan de omringende lucht.
- Vochtgehalte: De massa water in hout uitgedrukt als een percentage van de
ovendroge massa van het hout.
- Nominale maat: De afmeting van hout bij een bepaald vochtgehalte. Afwijkingen,
die in de ideale situatie gelijk zijn aan nul, worden hieraan gerelateerd.




















1.5 SI eenheden

P(1) SI-eenheden moeten in overeenstemming met ISO 1000 worden gebruikt.

(2) Voor berekeningen worden de volgende eenheden aanbevolen:

- krachten en belastingen: kN, kN/m, kN/m
- volumieke massa: kg/m
- volumiek gewicht: kN/m
- spanningen en sterkte: N/mm (=MN/m ou Mpa) ( ou MPa)
- momenten (buigende): kNm


Blz. 15
ENV 1995-1-1:1993



1.6 Symbolen gebruikt in Deel 1-1 van EUROCODE 5

1.6.1 Algemeen

In het algemeen zijn de symbolen die in Deel 1 van Eurocode 5 worden gebruikt
gebaseerd op het onderstaande overzicht en afgeleiden hiervan, zoals bijvoorbeeld:

Gd,sup Bovenste rekenwaarde voor een permanente belasting
Vd Rekenwaarde van de dwarskracht
f c Drukspanning in de flens

Zulke afgeleiden worden tezamen met eventuele bijzondere symbolen ter plaatse in de
tekst verklaard.

1.6.2 Symbolen gebruikt in hoofdstuk 2

HOOFDSYMBOLEN :

A Bijzondere belasting
C Vaste waarde in bruikbaarheidsgrenstoestanden
E Belastingseffect
F Belasting
G Permanente belasting
Q Veranderlijke belasting
R Weerstand, Draagvermogen, Sterkte
S Kracht of moment
X Materiaaleigenschap
a Geometrische gegevens
a Afwijkingen
Partile veiligheidsfactoren

G
voor permanente belasting

GA
als
G
voor incidentele situaties

M
voor materiaaleigenschappen

Q
voor veranderlijke belastingen
Factoren waarmee de representatieve waarden van de veranderlijke belastingen
worden bepaald:

0
voor combinaties van belastingsgevallen

1
voor frequent voorkomende belastingsgevallen

2
voor quasi-permanente belastingsgevallen

INDICES :

Daar waar geen verwarring mogelijk is mogen indices worden weggelaten.

d Rekenwaarde
dst Destabiliserend
inf Inferieur, Onderste
k Karakteristiek
mod Modificatie
nom Nominaal
stb Stabiliserend
sup Suprieur, Bovenste



Blz. 16
ENV 1995-1-1:1993



1.6.3 Symbolen gebruikt in de hoofdstukken 3 - 7 en in de bijlagen

HOOFDSYMBOLEN :

A Oppervlakte
E Elasticiteitsmodulus
F Kracht
G Permanente belasting
I Axiaal kwadratisch oppervlaktemoment
K Verschuivingsmodulus
L Lengte
M Buigend moment
N Normaalkracht
Q Veranderlijke belasting
R Weerstand ; Draagvermogen ; Sterkte
S Inwendige krachten en momenten
V Dwarskracht
V Volume
W Weerstandmoment
X Waarde van een materiaaleigenschap

a Afstand
b Breedte
d Middellijn
e Excentriciteit
f Sterkte (van een materiaal)
h Hoogte ( of hoogte van een ligger)
i Traagheidsstraal
k Cofficint; Factor (altijd met een subscript)
l, of l Lengte ; overspanning
m Massa
r Straal
s Tussenafstand
t Dikte
u,v,w Verplaatsingscomponenten van een punt
x,y,z Cordinaten

Hoek ; verhouding
Hoek ; verhouding
Partile factor
Slankheid (lef / i)
Volumieke massa
Normaalspanning
Schuifspanning
Kruip factor


Blz. 17
ENV 1995-1-1:1993



INDICES

ap Apex, topzone
c Druk
cr Kritieke waarde
d Reken
def Vervorming
dis Verdeling
ef Effectief
ext Uitwendig
f Flens
fin Totaal
h Stuik
ind Indirect
inf Inferieur; Onderste
inst Kortdurend
int Inwendig
k Karakteristiek
l Laag ; Lager
ls Belastingsspreiding
m Materiaal ; Buiging
max Maximum; Maximaal
min Minimum ; Minimaal
mod Modificatie
nom Nominaal
q(ou Q) Veranderlijke belasting
ser Bruikbaarheid
stb Stabiliserend
sup Superieur; Bovenste
t Trek
tor Torsie
u Uiterste
v Afschuiving
vol Volume
w Lijf
x,y,z Cordinaten
y Vloei

Hoek tussen kracht (of spanning) en vezelrichting
0, 90 Betreffende vezelrichting
05 Percentage van een karakteristieke waarde

1.7 Verwijzingen

Deze Europese norm bevat door gedateerde of ongedateerde verwijzingen naar
bepalingen uit andere publicaties. Deze normatieve verwijzingen zijn op passende
plaatsen in de tekst aangehaald en de publicaties zijn hierna opgesomd. Bij gedateerde
verwijzingen zijn latere wijzigingen of herzieningen van een van deze publicaties slechts
van toepassing op deze Europese Norm, indien ze door wijziging of herziening daarin
zijn verwerkt. Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste druk van de publicatie waarnaar
is verwezen van toepassing.

ISO normen

ISO 1000 S.I. Units and recommendations for the use of their multiples and of
certain other units


Blz. 18
ENV 1995-1-1:1993



ISO 2081 Metallic coatings Electroplated coatings of zinc on iron or steel

ISO 2631-2 Evaluation of human exposure to whole-body vibration Part 2 :
Continuous and shock-induced vibrations in buildings
(1 to 80 Hz)

ISO 8930 General principles on reliability for structures List of equivalent terms

Europese normen

EN 301 Lijmen voor dragende houtconstructies Polycondensatielijmen op
basis van phenolen en aminoplasten Classificatie en prestatie-eisen

EN 335-1 Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde producten Definitie
van risicoklassen voor biologische aantasting Deel 1 : Algemeen

EN 335-2 Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde producten Definitie
van risicoklassen voor biologische aantasting Deel 2 : Massief hout

EN 350-2 Hout en op hout gebaseerde producten Natuurlijke duurzaamheid van
hout Deel 2 : Aanbevelingen voor de natuurlijke duurzaamheid en
behandelbaarheid van op bijzonder belang voor Europa geselecteerde
houtsoorten

EN 383 Houtconstructies Beproevingsmethoden Bepaling van de
stuiksterkte voor stiftvormige verbindingsmiddelen

EN 409 Houtconstructies Beproevingsmethoden Bepaling van het
vloeimoment van stiftvormige verbindingsmiddelen - Nagels

EN 10147 Continu-dompelverzinkte plaat en band van staal voor
constructiedoeleinden Technische leveringsvoorwaarden.

EN 26891 Houtconstructies Beproeving van de verbindingen vervaardigd met
mechanische verbindingsmiddelen Algemene uitgangspunten bij de
bepaling van de sterkte en de vervorming.

EN 28970 Houtconstructies Beproeving van de verbindingen vervaardigd met
mechanische verbindingsmiddelen Eisen aan de volumieke massa van
hout.

Ontwerpen van Europese normen

prEN 300 Spaanplaat - Oriented Strand Boards ( OSB)

prEN 312-4 Spaanplaat Specificaties Deel 4 : Eisen voor gewicht-dragende
platen voor gebruik in droge omstandigheden

prEN 312-5 Spaanplaat Specificaties Deel 5 : Eisen voor gewicht-dragende
platen voor gebruik in vochtige omstandigheden



Blz. 19
ENV 1995-1-1:1993



prEN 312-6 Spaanplaat - Specificaties - Deel 6 : Eisen voor zwaargewicht-dragende
platen voor gebruik in droge omstandigheden

prEN 312-7 Spaanplaat - Specificaties - Deel 5 : Eisen voor zwaargewicht-dragende
platen voor gebruik in vochtige omstandigheden

prEN 335-3 Duurzaamheid van hout en houtproducten -Definitie van risicoklassen
voor biologische aantasting - Deel 3: Toepassing bij op hout gebaseerde
materialen

prEN 336 Hout voor constructieve toepassingen - Naaldhout en populierenhout
Afmetingen, toelaatbare maatafwijkingen

prEN 338 Hout voor constructieve toepassingen - Sterkteklassen

prEN 351-1 Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde producten Met
verduurzaamingsmiddelen behandeld massief hout Deel 1 :
Classificatie van indringing en retentie van verduurzamingsmiddelen

prEN 384 Hout voor constructieve toepassingen Bepaling van de karakteristieke
waarden van mechanische eigenschappen en de volumieke massa

prEN 385 Gevingerlast hout voor constructieve toepassingen -
Vervaardigingseisen

prEN 386 Gelijmd gelamineerd hout - Vervaardigingseisen

prEN 387 Gelijmd gelamineerd hout Vervaardigingseisen voor grote
vingerlassen

prEN 390 Gelijmd gelamineerd hout -. Maten Toelaatbare maatafwijkingen

prEN 408 Houtconstructies Hout voor houtconstructies en gelijmd gelamineerd
hout Bepaling van een aantal fysische en mechanische eigenschappen

prEN 460 Duurzaamheid van hout en op hout gebaseerde producten Natuurlijke
duurzaamheid van hout Aanbeveling voor de eisen aan de
duurzaamheid van hout voor toepassingen in risicoklassen

prEN 518 Hout voor constructieve toepassingen Sorteren naar kwaliteitsklasse
Eisen aan normen voor het visueel op sterkte sorteren

prEN 519 Hout voor constructieve toepassingen Sorteren naar kwaliteitsklasse
Eisen aan machinaal op sterkte sorteren van hout en voor
sorteermachines

prEN 594 Houtconstructies Wandpanelen Beproevingsmethoden voor het
bepalen van de sterkte en stijfheid bij afschuiving in het vlak van
dragende panelen

prEN 622-3 Vezelplaat Specificaties Deel 3 : Eisen voor gewicht-dragende
platen voor gebruik in droge omstandigheden

prEN 622-5 Vezelplaat Specificaties Deel 5 : Eisen voor gewicht-dragende
platen voor gebruik in vochtige omstandigheden



Blz. 20
ENV 1995-1-1:1993



prEN 636-1 Triplex Specificaties- Deel 1 : Eisen voor triplex voor niet-overdekte
buitentoepassingen

prEN 636-2 Triplex Specificaties- Deel 2 : Eisen voor triplex voor overdekte
buitentoepassingen

prEN 636-3 Triplex Specificaties- Deel 1 : Eisen voor triplex voor droge
binnentoepassingen

prEN 912 Verbindingsmiddelen voor houtconstructies - Specificaties

prEN 1058 Houtachtige plaatmaterialen Bepaling van de karakteristieke waarde
van de mechanische eigenschappen en de dichtheid

prEN 1059 Houtconstructies Eisen voor de vervaardiging van geprefabriceerde
vakwerken met hechtplaten

prEN 1075 Houtconstructies Beproevingsmethoden Verbindingen vervaardigd
met hechtplaten

prEN 1193 Houtconstructies Hout voor houtconstructies en gelijmd gelamineerd
hout Bepaling van aanvullende fysische en mechanische eigenschappen

prEN 1194 Houtconstructies Gelijmd gelamineerd hout Sterkteklassen en
bepaling van karakteristieke waarden


Blz. 21
ENV 1995-1-1:1993



2 UITGANSPUNTEN VOOR ONTWERP EN BEREKENING

2.1 Fundamentele eisen

P(1) Een bouwconstructie moet zo zijn ontworpen en uitgevoerd dat deze:

- met een aanvaardbare waarschijnlijkheid geschikt zal blijven voor het vereiste
doel, waarbij op gepaste wijze de beoogde levensduur en kosten ervan in acht
worden genomen en

- met voldoende betrouwbaarheid bestand zal zijn tegen alle belastingen en
invloeden die tijdens de bouw en het gebruik waarschijnlijk zullen optreden en
betrokken op de onderhoudskosten, voldoende duurzaam zal zijn.

P(2) Een draagconstructie moet tevens zo zijn ontworpen dat zij niet dermate zal worden
beschadigd door gebeurtenissen zoals explosies, inslag of gevolgen van menselijke fouten
dat de omvang van de schade niet in verhouding staat tot de oorspronkelijke oorzaak.

(3) Mogelijke schade moet worden beperkt of vermeden door weloverwogen gebruik te
maken van n of meer van volgende maatregelen:

- het vermijden, afwenden of beperken van de gevaren waaraan de draagconstructie
kan worden blootgesteld;

- het kiezen van een constructievorm die weinig kwetsbaar is voor de beschouwde
gevaren;

- het kiezen van een constructief ontwerp en vormgeving dat het bouwwerk
voldoende bestand is tegen het per ongeluk verwijderen van een afzonderlijk
element;

- er voor zorgen dat de draagconstructie n geheel vormt.

P(4) Aan de bovenstaande eisen moet worden voldaan door het kiezen van de juiste
materialen, door een geschikt ontwerp en doordachte detaillering en door het
voorschrijven van controleprocedures voor productie, constructie en gebruik afgestemd
op het betreffende project.

2.2 Definities en indelingen

2.2.1 Grenstoestanden en ontwerpsituaties

2.2.1.1 Grenstoestanden

P(1) Grenstoestanden zijn toestanden waarbij de constructie niet langer voldoet aan de bij het
ontwerp gestelde prestatie-eisen.

Grenstoestanden worden ingedeeld in:

- uiterste grenstoestanden
- bruikbaarheidsgrenstoestanden.

P(2) Uiterste grenstoestanden zijn grenstoestanden die betrekking hebben op instorten of op
andere vormen van falen van de draagconstructie waardoor de veiligheid van mensen in
gevaar kan worden gebracht.

Blz. 22 bis






























P(1) C Ontwerpsituatie is de vertaling van het Engelse "Design Situation" en die in het Engels ook
kan verwijzen naar een berekeningssituatie. Hier wordt bedoeld alle situaties waaraan de
constructies wordt bloot gesteld en waarmee dient rekening te worden gehouden bij het
dimensioneren en het nazicht van die constructie.








P(1) C Uitgebreidere definities betreffende de indeling van belastingen kunnen worden gevonden in
de ENV 1991 Eurocode 1 deel 2
Blz. 22
ENV 1995-1-1:1993




P(3) Een toestand die vooraf gaat aan het instorten van de draagconstructie die ter
vereenvoudiging wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de instorting zelf wordt
eveneens als een uiterste grenstoestand beschouwd.

(4) Uiterste grenstoestanden in beschouwing kunnen worden genomen, omvatten o.a.:

- verlies van het evenwicht van de draagconstructie of een onderdeel ervan,
beschouwd als een star lichaam.

- bezwijken door overmatige vervorming, breuk, of verlies van stabiliteit van de
draagconstructie of een onderdeel daarvan, met inbegrip van steunpunten en
funderingen.

P(5) Bruikbaarheidsgrenstoestanden zijn toestanden waarbij, bij overschrijding ervan, niet
meer wordt voldaan aan bepaalde gebruikseisen.

(6) Bruikbaarheidsgrenstoestanden die in beschouwing kunnen worden genomen omvatten
o.a.:

- vervormingen of doorbuigingen die het aanzien of het doelmatig gebruik van de
constructie ongunstig benvloeden (met inbegrip van het slecht functioneren van
machines of apparaten) of die schade veroorzaken aan afwerklagen of niet-
constructieve elementen,

- trillingen die door mensen als hinderlijk worden ervaren, schade toebrengen aan
het gebouw of aan de inrichting, of het doelmatig gebruik ervan beperken.

2.2.1.2 Ontwerpsituaties

P(1) Ontwerpsituaties worden ingedeeld in:

- situaties van blijvende aard die overeenkomen met de normale
gebruiksomstandigheden van de constructie

- situaties van voorbijgaande aard, bijvoorbeeld zoals tijdens de bouw of herstel

- bijzondere situaties

2.2.2 Belastingen

2.2.2.1 Definities en hoofdindelingen
5)


P(1) Onder een belasting (F) wordt verstaan :
- een kracht (last) die op de constructie wordt uitgeoefend(directe belasting),
of
- een opgelegde vervorming (indirecte belasting); bijvoorbeeld, temperatuureffecten
of zettingen.

5) Uitgebreidere definities betreffende de indeling van belastingen kunnen worden gevonden in ENV 1991
Eurocode - 1.
Blz. 23bis















(2) C Aardbevingen zijn bijzondere belastingen.











P(1) I DE karakteristieke waarden F
k
zijn gegeven:
- in de ENV 1991 Eurocode 1, of
- door de opdrachtgever of de ontwerper na raadpleging van de opdrachtgever,
vooropgesteld dat is voldaan aan de minimumvoorwaarden zoals beschreven in de
desbetreffende normen of geist door het bevoegd gezag.

P(1) C De karakteristieke belastingen zijn functie van de aard van het gebouw en zijn
weergegeven in bijlage 1.

P(2) C De gronddruk is een voorbeeld van belasting met een grote variatiecofficint.





(3) C Het eigen gewicht wordt berekend met de gemiddelde en niet met de karakteristieke
volumieke massa.
De gemiddelde volumieke massa is in bijlage 2 te vinden in functie van de
weerstandsklasse volgens prEN 338.

(4)P A De veranderlijke belastingen op middellange termijn ( opgelegde belastingen) of op lange
termijn zijn vermeld in deel 2.1 van de Eurocode 1 (ENV 1991). De veranderlijke
belastingen op korte termijn ( wind en sneeuw ) zijn weergegeven in deel 2.4 en 2..3.


Blz. 23
ENV 1995-1-1:1993




P(2) Belastingen worden als volgt ingedeeld:

(i) naar tijd
- permanente belastingen (G), bijvoorbeeld eigen gewicht van
draagconstructies, inbouwonderdelen, hulpmiddelen en vast opgestelde
apparatuur;
- variabele belastingen (Q):
- langeduur belastingen, bijvoorbeeld opslag;
- middellangeduur belastingen, bijvoorbeeld gebruiksbelastingen;
- korteduur belastingen, bijvoorbeeld wind of sneeuw;
- zeer kort durende belastingen;
- bijzondere belastingen (A), bijvoorbeeld explosies of stootbelastingen
door voertuigen.
(ii) naar ruimte:
- plaatsgebonden belastingen, bijvoorbeeld eigen gewicht (zie echter
2.3.2.3 (2) voor constructies die zeer gevoelig zijn voor veranderingen in
het eigen gewicht)
- vrije belastingen, die resulteren in verschillende belastingsconfiguraties,
bijvoorbeeld verplaatsbare uitwendige belastingen, wind- en
sneeuwbelasting.
2.2.2.2 Karakteristieke waarden van de belastingen

P(1) Karakteristieke waarden F
k
zijn gegeven :
- in ENV 1991 Eurocode 1 of andere desbetreffende normen, of
- door de opdrachtgever of ontwerper na raadpleging van de opdrachtgever,
vooropgesteld dat is voldaan aan de minimumvoorwaarden zoals beschreven in de
desbetreffende normen of door het bevoegd gezag.



P(2) Voor permanente belastingen waarvan de variatiecofficint groot is, of die tijdens de
levensduur van de bouwconstructie waarschijnlijk zullen veranderen (bijvoorbeeld voor
sommige toegevoegde permanente belastingen), worden twee karakteristieke waarden
onderscheiden, t. w. een bovengrenswaarde (G
k,sup
) en een ondergrenswaarde (G
k,inf
). In
andere gevallen is een karakteristieke waarde (G
k
)voldoende.

(3) In de meeste gevallen mag het eigen gewicht van de constructie op basis van nominale
afmetingen en de gemiddelde volumieke massas worden berekend.


P(4) Voor veranderlijke belastingen komt de karakteristieke waarde (Q
k
) overeen met:
- de bovenwaarde die met een (bewust) gekozen waarschijnlijkheid tijdens een
bepaalde referentieperiode niet zal worden overschreden,of de onderwaarde die
tijdens een bepaalde referentiewaarde niet zal worden bereikt, waarbij de beoogde
levensduur van de draagconstructie of de aangenomen duur van de ontwerpsituatie
in aanmerking wordt genomen, of
- de gespecificeerde waarde.
Blz. 24 bis















P(3) V De factoren
0
,
1
,
2
, zijn gespecificeerd:
- in de ENV 1991 Eurocode 1, met het bijhorend Belgisch nationaal toepassingsdocument
of
- door de opdrachtgever, of door de ontwerper in overleg met de opdrachtgever,
vooropgesteld dat is voldaan aan de minimumvoorwaarden zoals beschreven in de
desbetreffende normen of geist door het bevoegd openbaar gezag.

(3)C De waarden van
0
,
1
,
2
, zijn weergegeven in bijlage 3 van deze Eurocode.






P(2) I Specifieke voorbeelden zijn :

G
d
=
g
G
k


Q
d
=
q
Q
k
of
q

1
Q
k
(2.2.2.4b)

A
d
=
A
A
k
(indien A
d
niet direct is gespecificeerd)

Waarin
g
,
q
,
A
(
F
is de algemene notatie) de partile belastingsfactoren zijn, waarbij
rekening is gehouden met bijvoorbeeld de mogelijkheid van ongunstige
belastingsafwijkingen, de mogelijkheid van onnauwkeurige schematisering van de
belastingen, onzekerheden in de bepaling van de belastingseffecten en onzekerheden in de
beoordeling van de beschouwde grenstoestand.



Blz. 24
ENV 1995-1-1:1993



P(5) Voor bijzondere belastingen komt de karakteristieke waarde A
k
(indien van toepassing) in
het algemeen overeen met een gespecificeerde waarde overeen.

2.2.2.3 Representatieve waarden van de veranderlijke belastingen
5)


P(1) De belangrijkste representatieve waarde is de karakteristieke waarde Q
k
.

P(2) Andere representatieve waarden worden weergegeven dor een factor
i
. gekoppeld aan de
karakteristieke waarde Q
k
.Deze waarden zijn gedefinieerd als :

- combinatiewaarde:
0
Q
k

- momentane waarde:
1
Q
k

- quasi-permanente waarde:
2
Q
k


P(3) De factoren
0
,
1
,
2
zijn gespecificeerd :

- in ENV 1991 Eurocode 1 of andere desbetreffende normen, of

- door de opdrachtgever, of ontwerper in overleg met de opdrachtgever,
vooropgesteld dat is voldaan aan de minimumvoorwaarden zoals beschreven in
desbetreffende normen of door het bevoegd openbaar gezag.

2.2.2.4 Rekenwaarden van de belastingen

P(1) De rekenwaarde F
d
van een belasting wordt in algemene termen als volgt weergegeven:

F
d
=
F
F
k
(2.2.2.4a)

P(2) Specifieke voorbeelden zijn:

G
d
=
G
G
k
(2.2.2.4b)

Q
d
=
Q
Q
k
of
Q

i
Q
k


A
d
=
A
A
k
(als A
d
niet direct is voorgespecificeerd)

waarin:

G
,
Q
en
A
de partile belastingsfactoren zijn, waarbij rekening is gehouden met
bijvoorbeeld de mogelijkheid van ongunstige belastingsafwijkingen, de mogelijkheid van
onnauwkeurige schematisering van de belastingen, onzekerheden in de bepaling van de
belastingseffecten en onzekerheden in de beoordeling van de beschouwde grenstoestand.

P(3) De bovengrens- en ondergrenswaarde van de permanente belastingen worden als volgt
weergegeven (zie 2.2.2.2 (2)) :

G
d,inf
=
G,inf
G
k,sup
of
G,inf
G
k
(2.2.2.4c)

G
d,sup
=
G,sup
G
k,sup
of
G,sup
G
k


5)
Uitgebreidere definities betreffende de indeling van belastingen kunnen worden gevonden in ENV 1991
Eurocode - 1.
Blz. 25 bis





















P(2) C Dit is meestal het geval bij staal (zie Eurocode 3. deel 3. Materialen) waar de nominale
waarden in de berekening worden gehanteerd alsof het karakteristieke waarden zijn

Blz. 25
ENV 1995-1-1:1993




2.2.2.5 Rekenwaarden van de belastingseffecten

(1) De belastingseffecten (E) vormen de respons (bijvoorbeeld, inwendige krachten en
momenten, spanningen, rekken) van de constructie op de belastingen. Rekenwaarden van
de belastingseffecten (E
d
) worden bepaald uit de rekenwaarden van de belastingen,
geometrische gegevens en eventueel de desbetreffende materiaaleigenschappen:

E
d
= E (F
d
, a
d
......) (2.2.2.5)

waarin a
d
is gedefinieerd in 2.2.4.

2.2.3 Materiaaleigenschappen

2.2.3.1 Karakteristieke waarden

P(1) Een materiaaleigenschap wordt weergegeven door een karakteristieke waarde X
k
die in
het algemeen overeenkomt met een fractiel van de aangenomen statistische verdeling van
de bewuste materiaaleigenschap, zoals gespecificeerd in de desbetreffende normen en
beproefd onder gespecificeerde omstandigheden.

P(2) In bepaalde gevallen wordt een gemiddelde waarde als karakteristieke waarde gebruikt.


2.2.3.2 Rekenwaarden

P(1) De rekenwaarde X
d
van een materiaaleigenschap wordt in het algemeen gedefinieerd als:

X
d
= k
mod
X
k
/
M
(2.2.3.2a)

waarin:

M
is de partile veiligheidsfactor voor de materiaaleigenschap, volgens 2.3.3.2.,

k
mod
de modificatiefactor voor het effect van de belastingsduur en het vochtgehalte in de
constructie op de sterkteparameters.

In hoofdstuk 3 worden waarden van k
mod
gegeven.



(2) Om de rekenwaarden van de weerstand R
d
te bepalen aan de hand van:

R
d
= R (X
d
, a
d
, ....) (2.2.3.2b)

moeten de rekenwaarden van materiaaleigenschappen, geometrische gegevens en indien
van toepassing belastingseffecten worden gebruikt.


(3) De karakteristieke waarde R
k
mag aan de hand van proeven worden bepaald.


Blz. 26
ENV 1995-1-1:1993



2.2.4 Geometrische gegevens

P(1) Rekenwaarden van geometrische gegevens die de constructie beschrijven worden in het
algemeen door hun nominale waarden weergegeven:

a
d
= a
nom
(2.2.4a)

P(2) In sommige gevallen worden de geometrische rekenwaarden gedefinieerd door:

a
d
= a
nom
+
a
(2.2.4b)

De waarden van
a
worden in de betreffende paragrafen gegeven.

2.2.5 Belastingsconfiguraties en belastingsgevallen
6)


P(1) Met een belastingsconfiguratie worden de plaats, grootte en richting van een vrije
belasting aangegeven.

P(2) Een belastingsgeval geeft met elkaar in overeenstemming te brengen
belastingsconfiguraties, vervormingen en imperfecties aan, waarmee voor een bepaalde
toetsing rekening wordt gehouden.


2.3 Eisen gesteld aan ontwerp en berekening

2.3.1 Algemeen

P(1) Er moet worden nagegaan dat geen van belang zijnde grenstoestand wordt overschreden.

P(2) Alle desbetreffende ontwerpsituaties en belastingsgevallen moeten worden beschouwd.

P(3) Mogelijke afwijkingen van de aangenomen richtingen of aangrijppunten van de
belastingen moeten worden beschouwd.

P(4) Berekeningen moeten op basis van doelmatige rekenmodellen worden uitgevoerd (indien
nodig aangevuld met proeven) waarin alle van belang zijnde variabelen worden
betrokken. De modellen moeten voldoende nauwkeurig zijn om het gedrag van de
draagconstructie te kunnen voorspellen, in overeenstemming zijn met het niveau van
vakmanschap dat naar verwachting zal worden bereikt, alsmede met de betrouwbaarheid
van de informatie waarop het ontwerp is gebaseerd.


2.3.2 Uiterste grenstoestanden

2.3.2.1 Toetsingsvoorwaarden

P(1) Indien een grenstoestand met betrekking tot het statisch evenwicht of met betrekking tot
aanzienlijke grote verplaatsingen of vervormingen van de constructie, moet worden
gecontroleerd dat:
E
d,dst
E
d,stb
(2.3.2.1a)

waarin E
d,dst
en E
d,stb
de rekenwaarden zijn van de effecten van destabiliserende
respectievelijk stabiliserende belastingen.

6)
Uitgebreidere regels betreffende belastingsconfiguraties en belastingsgevallen worden gegeven in ENV
1991 Eurocode 1.
Blz. 27 bis
















































(2) C Indirecte belastingen dienen, indien van toepassing, in de vergelijkingen 2.3.2.2(a) en
2.3.2.2(b) worden opgenomen. Door indirecte belastingen wordt verstaan zettingen van
steunpunten, krimp en uitzetting .,

Blz. 27
ENV 1995-1-1:1993



(2)P Indien een grenstoestand wordt beschouwd met betrekking tot breuk of overmatige
vervormingen van een doorsnede, constructie-element of verbinding moet worden
gecontroleerd dat:

S
d
R
d
(2.3.2.1b)

waarin S
d
de rekenwaarde is van de inwendige kracht of moment (of van een
samengestelde vector van een aantal inwendige krachten en momenten) en R
d
is de
daarmee corresponderende rekenwaarde van de weerstand.

(3)P Indien een grenstoestand wordt beschouwd waarbij de constructie overgaat in een
bezwijkmechanisme, moet worden nagegaan dat dit mechanisme niet zal optreden zolang
de belastingen hun rekenwaarden niet overschrijden; hierin moeten alle constructieve
eigenschappen met hun respectieve rekenwaarden worden betrokken.

(4)P Indien een grenstoestand met betrekking tot stabiliteit veroorzaakt door tweede-orde
effecten wordt beschouwd, moet worden nagegaan dat geen instabiliteit optreedt zolang
de belastingen hun rekenwaarden niet overschrijden; hierbij moeten alle constructieve
eigenschappen met hun rekenwaarden worden betrokken. Bovendien moeten doorsneden
volgens 2.3.2.1 P(2) worden gecontroleerd.

2.3.2.2 Belastingscombinaties

(1)P Voor elk belastingsgeval moeten de rekenwaarden E
d
voor de effecten van de belastingen
worden bepaald aan de hand van combinatieregels voor rekenwaarden van belastingen,
zoals aangegeven in Tabel 2.3.2.2.

Tabel 2.3.2.2 Rekenwaarden van belastingen voor gebruik in de
belastingscombinaties
Veranderlijke belastingen Q
d
Ontwerp situatie

Permanente
belasting
G
d

n Q
d
alle andere
Bijzondere
belastingen
A
d

Blijvend en
tijdelijk

G
G
k

Q
Q
k

0

Q
Q
k
-
Bijzonder
GA
G
k

1
Q
k

2
Q
k

A
A
k
(indien A
d
niet
direct is
gespecificeerd)


(2)P De rekenwaarden uit tabel 2.3.2.2 moeten worden gecombineerd met gebruikmaking van
de volgende uitdrukkingen (in symbolische vorm gegeven)
7)


- Permanente en tijdelijke ontwerpsituaties (fundamentele combinaties):


G,j
G
k,j
+
Q,1
Q
k,1
+
Q,i

0, i
Q
k,i
(2.3.2.2a)
j i > 1




7)
Uitgebreidere regels over combinaties van belastingen worden gegeven in ENV 1991 Eurocode 1.


Blz. 28
ENV 1995-1-1:1993



- Bijzondere belastingscombinaties (indien niet elders op een andere wijze
gespecificeerd):


GA,j
G
k,j
+ A
d
+
1,1
Q
k,1
+
2, i
Q
k,i
(2.3.2.2b)
j i > 1

waarin:

G
k
, zijn de karakteristieke waarden van de permanente belastingen

Q
k,1
is de karakteristieke waarde van n van de veranderlijke belastingen

Q
k,i
is de karakteristieke waarde van de overige veranderlijke belastingen

A
d
is de rekenwaarde (gespecificeerde waarde) van de bijzondere belasting

G,j
partile veiligheidsfactoren voor permanente belastingen

GA,j
als
G,j
maar voor bijzondere belastingssituaties

Q,i
partile veiligheidsfactoren voor variabele belastingen

0
,
1
,
2
cofficinten gedefinieerd in 2.2.2.3.

P(3) Combinaties voor bijzondere ontwerpsituaties omvatten f een expliciete bijzondere
belasting A f verwijzen naar een situatie van een bijzondere gebeurtenis (A = 0). Tenzij
anders gespecificeerd, behoort
GA
= 1,0 te worden aangehouden.

P(4) In 2.3.3.1 worden vereenvoudigde combinaties voor bouwconstructies gegeven.

2.3.2.3 Rekenwaarden van de permanente belastingen

P(1) In de verschillende hierboven gedefinieerde combinaties, moeten die permanente
belastingen die het effect van de veranderlijke belastingen vergroten (d.w.z. ongunstige
effecten veroorzaken) met hun bovenste rekenwaarde worden aangegeven, en in die
welke het effect van de veranderlijke belastingen verkleinen (d.w.z. gunstige effecten
veroorzaken) met hun onderste rekenwaarde (zie 2.2.2.4 (3)).

P(2) In de gevallen waar de resultaten van een controleberekening zeer gevoelig zijn voor
veranderingen in de grootte van een permanente belasting moeten van plaats tot plaats de
ongunstige en de gunstige delen van deze belasting worden beschouwd als afzonderlijke
belastingen. Dit is met name van toepassing bij de controle van het statisch evenwicht. In
de hiervoor vermelde gevallen moet met specifieke
G
waarden rekening worden
gehouden (zie 2.3.3.1(3) voor bouwconstructies).

P(3) In andere gevallen, moet of de onderste of de bovenste rekenwaarde (welke het
ongunstigste effect heeft) voor de gehele constructie worden gebruikt.

P(4) Voor doorgaande liggers mag dezelfde rekenwaarde van het eigen gewicht worden
toegepast voor alle overspanningen.
Blz. 29 bis













































(4) C Met gemiddelde overspanning wordt beperkte overspanning bedoeld. Verder wordt
benadrukt dat het gebouw slechts occasioneel wordt gebruikt.

Blz. 29
ENV 1995-1-1:1993




2.3.3 Partile veiligheidsfactoren voor uiterste grenstoestanden

2.3.3.1 Partile veiligheidsfactoren voor belastingen op bouwconstructies

P(1) Partile veiligheidsfactoren voor de permanente en tijdelijke aanwezige ontwerpsituaties
zijn gegeven in tabel 2.3.3.1.

Tabel 2.3.3.1. Partile belastingsfactoren voor belastingen in bouwconstructies voor
zowel permanente als voor tijdelijke ontwerpsituaties
Permanente
belastingen
(
G
)
Veranderlijke
belastingen
(
Q
)


En met diens
karakteristieke waarde
Overige met hun
combinatiewaarde
Normale partile cofficinten
Gunstig effect
(
F,inf
)
1,0* -** -**
Ongunstig
effect
(
F,sup
)
1,35* 1,5 1,5
Gereduceerde partile cofficinten
Gunstig effect
(
F,inf
)
1,0 -** -**
Ongunstig
effect
(
F,sup
)
1,2 1,35 1,35
* Overeenkomstig 2.3.3.1(3) hieronder
** Zie ENV 1991 Eurocode 1 ; in normale gevallen is
Q,inf
= 0 voor bouwconstructies.

P(2) Voor bijzondere ontwerpsituaties waarvoor uitdrukking (2.3.2.2b) van toepassing is, zijn
de partile belastingsfactoren voor veranderlijke belastingen gelijk aan de eenheid.

(3) Indien overeenkomstig 2.3.2.3 P(2), gunstige en ongunstige delen van permanente
belastingen moeten worden beschouwd als individuele belastingen, moet het
gunstig werkend gedeelte worden gecombineerd met
G,inf
= 0,9.en het ongunstig
werkend gedeelte met
G,sup
= 1,1 .

(4) Gereduceerde partile cofficinten mogen worden toegepast voor gebouwen met n
bouwlaag met een gemiddelde overspanning, die tijdelijk worden gebruikt (pakhuizen,
schuren, kassen, en gebouwen en kleine silos met agrarische bestemming), gewone
lichtmasten, lichte scheidingswanden, en beschieting.

Voor andere constructies moeten normale cofficinten worden toegepast.
Blz. 30 bis


(5) V Voor constructies, niet vermeld in punt (4), kan ter vereenvoudiging de combinatie
(2.3.3.2a) vervangen worden door de meest nadelige van de hieronder vermelde combinaties
:
bij beschouwing van de meest ongunstige veranderlijke belasting :


G,j
G
k,j
+
Q,1
Q
k,1

j
bij beschouwing van alle ongunstige veranderlijke belastingen :


G,j
G
k,j
+ 0,9
Q,i
Q
k,i
of
G,j
G
k,j
+ 1,35
Q,i
Q
k,I

j i > 1 j i > 1

Blz. 30
ENV 1995-1-1:1993




(5) Indien gebruikt wordt gemaakt van de waarden van tabel 2.3.3.1, mag uitdrukking
(2.3.2.2a) worden vervangen door:

- bij beschouwing van de meest ongunstige veranderlijke belasting:


G,j
G
k,j
+
Q,1
Q
k,1
(2.3.3.1a)
j

- bij beschouwing van alle ongunstige veranderlijke belastingen:


G,j
G
k,j
+ 0,9
Q,i
Q
k,i
(2.3.3.1b)
j i > 1

waarbij de grootste waarde moet worden aangehouden.

2.3.3.2 Partile materiaalfactoren

P(1) In tabel 2.3.3.2 worden partile factoren (
M
) voor de materiaaleigenschappen gegeven:

Tabel 2.3.3.2 Partile factoren voor de materiaaleigenschappen (
M
)
Uiterste grenstoestanden
- fundamentele combinaties:
hout en houtachtige materialen 1,3
staal in verbindingen 1,1
- bijzondere combinaties: 1,0
Bruikbaarheidsgrenstoestanden
1,0

2.3.4 Bruikbaarheidsgrenstoestanden

(1) Nagegaan moet worden dat:

E
d
C
d
of E
d
R
d
(2.3.4)

waarin:

C
d
is een nominale waarde of een functie van bepaalde ontwerpeigenschappen van
materialen, gerelateerd aan in aanmerking te nemen rekenwaarden van de
beschouwde belastingseffecten.

E
d
is de rekenwaarde van het effect van belastingen, bepaald op basis van de
combinatieregels gegeven in hoofdstuk 4.

P(2) De partile factor voor de materiaaleigenschappen (
M
) is in tabel 2.3.3.2 gegeven.


Blz. 31
ENV 1995-1-1:1993




2.4 Duurzaamheid

2.4.1 Algemeen

P(1) Om te komen tot een afdoende duurzame draagconstructie, moeten de volgende met
elkaar in verband staande factoren worden beschouwd:

- het gebruik van de constructie;
- de vereiste prestatiecriteria;
- de te verwachten klimatologische omstandigheden;
- de samenstelling, de eigenschappen en het gedrag van de materialen;
- de vorm van de constructie-elementen en de constructieve detaillering;
- de mate van vakbekwaamheid en het niveau van de controle;
- de speciale beschermende maatregelen;
- het te verwachten onderhoud gedurende de beoogde levensduur.

P(2) De omgevingsomstandigheden moeten in het ontwerpstadium worden geschat om de
invloed ervan op de duurzaamheid te beoordelen en doelmatige maatregelen te kunnen
treffen ter bescherming van de materialen.

2.4.2 Weerstand tegen biologische organismen

P(1) Hout en houtachtige materialen moeten of voor de specifieke gevarenklasse (gedefinieerd
in EN 335-1 en -2, en prEN 335-3) een afdoende natuurlijke duurzaamheid volgens EN
350-2 hebben, of moeten zijn verduurzaamd volgens prEN 351-1 en prEN 460.

2.4.3 Weerstand tegen corrosie

P(1) Metalen verbindingsmiddelen en andere constructieve onderdelen moeten zonodig, f
corrosiebestendig zijn, f tegen corrosie worden beschermd.

(2) In tabel 2.4.3 zijn voorbeelden van minimale corrosiebescherming of
materiaaleigenschappen voor toepassing in de verschillende klimaatklassen (zie 3.1.5).
Blz. 32 bis































*** Sommige houtsoorten bij voorbeeld eik of behandeld hout kunnen afhankelijk
van het behandelingsproduct reageren met stalen elementen die met een zinklaag
zijn beschermd, zodat in dat geval andere beschermingstechnieken nodig zijn.

Blz. 32
ENV 1995-1-1:1993




Tabel 2.4.3 Voorbeelden van minimale specificatie voor materiaal of
corrosiebescherming voor verbindingsmiddelen
(overeenkomstig ISO 2081)*
Klimaatklasse
Verbindingsmiddel
1 2 3
Nagels, stiften, schroeven Geen Geen Fe/Zn 25c**
Bouten Geen Fe/Zn 12c Fe/Zn 25c**
Nieten Fe/Zn 12c Fe/Zn 12c Roestvast staal
Hechtplaten en staalplaten
Met een dikte tot 3 mm
Fe/Zn 12c Fe/Zn 12c Roestvast staal
Staalplaten met een dikte
van 3 mm tot 5 mm
Geen Fe/Zn 12c Fe/Zn 25c**
Staalplaten met een dikte
groter dan 5 mm
Geen Geen Fe/Zn 25c**

* Bij toepassing van thermisch verzinkt staal, moet Fe/Zn 12c worden vervangen
door Z275, en Fe/Zn 25c door Z350, volgens EN 10147.

** Onder zeer sterk corrosieve omstandigheden moet worden overwogen om
Fe/Zn 40, een dikkere zinklaag of corrosievast staal te gebruiken.

Blz. 33 bis



















(1) C De weerstandsklassen volgens prEN 338 met de bijhorende karakteristieke waarden zijn
weergegeven in bijlage 2 van deze Eurocode. Tevens vindt men er de gelijkwaardigheid met
de visuele sterkteklassen volgens de STS-04.

Blz. 33
ENV 1995-1-1:1993



3 MATERIAALEIGENSCHAPPEN

3.1 Algemeen

3.1.1 Sterkte- en stijfheidsparameters

P(1) Sterkte en stijfheidsparameters moeten zijn bepaald op basis van proeven overeenkomstig
de wijze van belasten van het materiaal in de draagconstructie, of op basis van
vergelijking met gelijksoortige houtsoorten of houtachtige materialen, of op basis van
bekende relaties tussen de verschillende eigenschappen.

P(2) Aangetoond moet worden dat de dimensie-stabiliteit en de duurzaamheid geschikt zijn
voor het klimaat waarin het wordt toegepast.

3.1.2 Karakteristieke waarden

P(1) Karakteristieke waarden voor de sterkte zijn gedefinieerd als de 5-percentielwaarden van
de populatie die bepaald zijn aan de hand van resultaten van beproeving met een tijdsduur
van 300 s. De proefstukken moeten hun evenwichtsvochtgehalte hebben bereikt bij een
temperatuur van 20C en een relatieve vochtigheid van 65%.





P(2) Karakteristieke waarden voor de stijfheid zijn gedefinieerd als de 5-percentielwaarden of
als de gemiddelde waarden van de populatie bepaald aan de hand van proeven die zijn
uitgevoerd onder de condities als gedefinieerd in P(1).

P(3) De karakteristieke waarde van de volumieke massa is gedefinieerd als de 5-
percentielwaarde van de populatie. De massa en het volume zijn bepaald bij een
evenwichtsvochtgehalte dat optreedt bij een temperatuur van 20C en een relatieve
vochtigheid van 65%.

3.1.3 Spanning-rekverhoudingen

P(1) De karakteristieke sterktewaarden zijn bepaald onder de aanname dat er in het traject tot
breuk een lineaire relatie is tussen spanning en rek. Toetsing van de sterkte van
individuele constructie-onderdelen moeten daarom plaatsvinden met eenzelfde lineaire
relatie. Constructie-onderdelen die worden belast door een combinatie van druk en
buiging mogen op basis van een niet-lineaire relatie (elasto-plastisch) worden getoetst.

3.1.4 Rekenmodellen

P(1) Het constructief gedrag moet over het algemeen worden bepaald door het berekenen van
de belastingseffecten met een lineair materiaalmodel (elastisch gedrag). Voor
vakwerkconstructies en andere constructies waarbij herverdeling van de belasting
mogelijk is, mogen elasto-plastische methoden worden gebruikt voor de bepaling van de
spanningen in de onderdelen.
Blz. 34 bis



P(1) A Constructies worden ingedeeld in een van de volgende klimaatklassen :
klimaatklasse 1 : wordt gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat
overeenkomt met een temperatuur van 20 C en een relatieve vochtigheid van de
omringende lucht die slechts gedurende enkele weken per jaar hoger is dan 65% zonder
de 85% te overschrijden.
Voorbeeld: constructies in verwarmde lokalen, elementen in het binnenspouwblad van
een muur van een verwarmd lokaal voor zover de spouw verlucht is. Het
evenwichtsvochtgehalte van hout is kleiner dan of gelijk aan 12 %.
klimaatklasse 2 : wordt gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat
overeenkomt met een temperatuur van 20 C en een relatieve vochtigheid van de
omringende lucht die slechts gedurende enkele weken per jaar hoger is dan 85% .
Voorbeeld: constructies in niet constant verwarmde lokalen maar zonder abnormale
vochtproductie zoals verluchte daken. Het evenwichtsvochtgehalte van hout situeert zich
tussen 12 en 20 %.
Klimaatklasse 3 : klimaatomstandigheden die leiden tot hogere vochtgehalten dan
klimaatklasse 2.
Voorbeeld: constructies in lokalen met lage temperatuur ( niet verwarmde lokalen), in
lokalen met hoge vochtproductie. Constructies die buiten staan of die zich gedeeltelijk in
de grond of in het water bevinden.. Het evenwichtsvochtgehalte van het hout is groter
dan 20 %
60
65
70
75
80
85
90
95
100
0 20 40 60 80
Temprature de l'air ambiant [C]
H
u
m
i
d
i
t


r
e
l
a
t
i
v
e

d
e

l
'
a
i
r


[
%
]
CS1
CS2
CS3


P(1) C Ter inlichting worden in onderstaande figuur de klimaatklassen bepaald van de
verschillende lokalen van een traditionele woning.


genomen uit "Les assemblages dans la construction en bois" door C. Le Govic, CTBA, 1995

Temperatuur omringende lucht [ C]
R
e
l
a
t
i
e
v
e

l
u
c
h
t
v
o
c
h
t
i
g
h
e
i
d

[
%
]

: Klimaatklasse 1
: Klimaatklasse 2
: Klimaatklasse 3
Bemerkingen:
niet verwarmde of niet gesoleerde zolder: klimaatklasse
of afhankelijk van het lokaal klimaat
structurele elementen buiten beschermd tegen directe
regen: , mogelijks indien het lokaal klimaat
droog is
vloer of verluchte ruimte: voor zover
van de regels qua opbouw
en verluchting is voldaan
of
of
Blz. 34
ENV 1995-1-1:1993




3.1.5 Klimaatklassen

P(1) Constructies moeten zijn ingedeeld in een van de volgende klimaatklassen:
8


P(2) Klimaatklasse 1: wordt gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat
overeenkomt met een temperatuur van 20C en een relatieve vochtigheid van de
omringende lucht die slechts gedurende enkele weken per jaar hoger is dan 65%
9
.

P(3) Klimaatklasse 2: wordt gekenmerkt door een vochtgehalte in de materialen dat
overeenkomt met een temperatuur van 20C en een relatieve vochtigheid van de
omringende lucht die slechts gedurende enkele weken per jaar hoger is dan 85%
10
.

P(4) Klimaatklasse 3: Klimaatomstandigheden die leiden tot hogere vochtgehalten dan
klimaatklasse 2
11
.

3.1.6 Belastingsduurklassen

P(l) Voor de sterkte- en de stijfheidsberekening moeten de belastingen zijn ingedeeld in een
van de belastingsduurklassen van tabel 3.1.6.


Tabel 3.1.6 Belastingsduurklassen
Belastingsduurklasse Grootte van de cumulatieve duur
van de karakteristieke belasting
Voorbeeld van belastingen
Permanent
langer dan 10 jaar eigen gewicht
Lang
6 maanden 10 jaar opslag
Middellang
1week 6 maanden opgelegde belasting
Kort
minder dan 1 week sneeuw* en wind
Zeer kort
incidentele belasting
* In gebieden waar gedurende langere perioden een hoge sneeuwbelasting aaanwezig is, moet
een gedeelte van die belasting worden beschouwd als middellang.


P(2) De belastingsduurklassen worden gekenmerkt door het effect van een constante belasting
die gedurende de levensduur van de constructie een bepaalde tijd werkzaam is. Voor een
veranderlijke belasting moet de belastingsduurklasse worden bepaald op basis van een
schatting van de interactie tussen de belastingsvariatie in de tijd en de reologische
eigenschappen van de materialen.

8) Het systeem van klimaatklassen is voornamelijk bedoeld om sterktewaarden toe te kennen en om vervormingen te
kunnen berekenen bij gedefinieerde klimaatomstandigheden
9)

In klimaatklasse 1 zal in de meeste naaldhoutsoorten het gemiddelde vochtgehalte niet hoger zijn dan 12%.

10)

In klimaatklasse 2 zal in de meeste naaldhoutsoorten het gemiddelde vochtgehalte niet hoger zijn dan 20%.
11)

Alleen in bijzondere gevallen zullen overdekte draagconstructies in klimaatklasse 3 worden ingedeeld.
Blz. 35 bis



(1) V Zonder rechtvaardiging worden de hieronder vermelde k
mod
waarden toegepast.







Blz. 35
ENV 1995-1-1:1993



3.1.7 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) De waarden van de modificatiefactor k
mod
uit tabel 3.1.7 moeten worden gebruikt.

(2) Indien een belastingscombinatie is opgebouwd uit belastingen uit meerdere
belastingsduurklassen moet voor k
mod
de waarde worden gekozen die overeenkomt met de
kortst durende belasting. Bijvoorbeeld bij een combinatie van het eigen gewicht met een
korteduurbelasting behoort voor k
mod
de korteduurbelasting te worden gebruikt.


Tabel 3.1.7 Waarden voor k
mod

Klimaatklasse Materiaal /
belastingsduurklasse
1 2 3
Gezaagd en gelamineerd hout ; triplex
Permanent 0,60 0,60 0,50
Lang 0,70 0,70 0,55
Middellang 0,80 0,80 0,65
Kort 0,90 0,90 0,70
Zeer kort 1,10 1,10 0,90
Spaanplaat volgens prEN 312-6* en -7, OSB volgens prEN 300, Klasse 3 en 4
Permanent 0,40 0,30 -
Lang 0,50 0,40 -
Middellang 0,70 0,55 -
Kort 0,90 0,70 -
Zeer kort 1,10 0,90 -
Spaanplaat volgens prEN 312-4* en 5, OSB volgens prEN300, Klasse 2*
Vezelplaat volgens prEN 622-5 (Hardboard)
Permanent 0,35 0,20 -
Lang 0,45 0,30 -
Middellang 0,65 0,45 -
Kort 0,85 0,60 -
Zeer kort 1,10 0,80 -
Vezelplaat overenkomstig prEN 622-3 (middelhardboard en hardboard)
Permanent 0,20 - -
Lang 0,40 - -
Middellang 0,60 - -
Kort 0,80 - -
Zeer kort 1,10 - -
* Mag niet worden gebruikt in klimaatklasse 2

Blz. 36 bis
























(3) C In Belgi is de visuele klassering volgens STS-04 conform met de eisen van de prEN 518. De
karakteristieken van de sterkteklassering volgens die STS zijn te vinden in bijlage 4.


(4) C De sterkteklassen zijn gegeven in prEN 338 en de karakteristieke mechanische
eigenschappen, die met die sterkteklassen overeenkomen, zijn gegeven in bijlage 2 van deze
Eurocode. Ook wordt het verband gegeven tussen de sterkteklassen en de visuele klassen
volgens de STS-04.

(5) V Indien bij gezaagd hout de hoogte bij buiging of de breedte bij trek (de grootste afmeting van
de doorsnede) kleiner is dan 150 mm mogen de karakteristieke waarden f
m,k
en f
t,0,k
volgens
prEN 338 en prEN 384 worden verhoogd met een factor k
h
:

'

,
_

3 . 1
h
150
Min k
2 . 0
h


met h de hoogte bij buiging of de breedte bij trek is, in mm.

Blz. 36
ENV 1995-1-1:1993



3.2 Gezaagd hout

3.2.1 Sorteren

P(1) Hout moet op sterkte zijn gesorteerd volgens regels die verzekeren dat de eigenschappen
van het hout geschikt zijn voor de toepassing. Belangrijk is dat de sterkte- en
stijfheidseigenschappen betrouwbaar zijn.

P(2) De sorteerregels moeten zijn gebaseerd op een visuele beoordeling van het hout, op de
niet-destructieve bepaling van een of meer eigenschappen, of op een combinatie van deze
twee methoden.

P(3) Normen voor visuele sterktesortering moeten voldoen aan de minimumeisen volgens
prEN 518.

(4) Eisen voor machinaal gesorteerd hout en voor sorteermachines zijn gegeven in prEN 519.

3.2.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte, de stijfheid en de volumieke massa

P(l) Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid en voor de volumieke massa
moeten worden bepaald volgens de in prEN 384 gegeven methode.

(2) Proeven behoren te worden uitgevoerd volgens prEN 408 en prEN 1193.

P(3) De karakteristieke waarden voor de sterkte moeten worden gerelateerd aan een hoogte bij
buiging en een breedte bij trek van 150 mm, een proefstukgrootte van 45 mm x 180 mm x
70 mm voor de treksterkte loodrecht op de vezel en aan een uniform belast volume van
0,0005 m
3
voor de schuifsterkte.


(4) Een sterkteklassesysteem is gegeven in prEN 384.




(5) Indien bij gezaagd hout de hoogte bij buiging of de breedte bij trek kleiner is dan 150 mm
mogen de karakteristieke waarden f
m,k
en f
t,0,k
volgens prEN 338 en prEN 384 worden
verhoogd met een factor k
h
:

'

,
_

3 . 1
h
150
Min k
2 . 0
h
(3.2.2)

met h in mm voor de hoogte bij buiging of de breedte bij trek.


3.2.3 Houtafmetingen

P(1) De effectieve doorsnede en de geometrische eigenschappen van een constructie-onderdeel
moeten worden berekend op basis van de nominale afmetingen. De afwijking van de
doorsnede ten opzichte van de nominale afmetingen
12)
moet voldoen aan de eisen voor
tolerantieklasse 1 volgens prEN 336.

12)
De nominale afmetingen zijn gerelateerd aan een houtvochtgehalte van 20%.
Blz. 37 bis








(3) V Wanner in een bepaalde doorsnede de effectieve doorsnede van een verbinding met meer
verbindingsmiddelen moet worden bepaald, dan moeten al de gaten die binnen een afstand
kleiner dan de helft van de minimale tussenafstand liggen, gemeten evenwijdig aan de
vezelrichting, worden beschouwd als aanwezig in die bepaalde doorsnede.

(3) C Voorbeeld :
L
eff
/2
x
Stift of bout met
metrdGoujons ou diameter d
h
indien x < L
re
/2, h
eff
h-3.d

met : - Lref, de referentie lengte, dit is de minimale lengte tussen twee
verbindingsmiddelen volgens de vezelrichting, zoals verder in deze Eurocode
wordt bepaald
- h
eff
, de effectieve hoogte
- h , de hoogte van het element
- d , de diameter van het verbindingsmiddel


(2) C De sterkteklassen met de bijhorende karakteristieke materiaaleigenschappen zijn gegeven in
bijlage 5 van deze Eurocode.


(4) V Indien bij gelamineerd hout de hoogte bij buiging of de breedte bij trek ( de grootste
afmeting van de doorsnede) kleiner is dan 600 mm, mogen de karakteristieke waarden f
m,k
en
f
t,0,k
volgens prEN 1194 worden verhoogd met een factor k
h
:

'

,
_

15 . 1
h
600
Min k
2 . 0
h


met h de hoogte bij buiging of de breedte bij trek is, in mm.
Blz. 37
ENV 1995-1-1:1993



P(2) Verminderingen van het oppervlak van een doorsnede moeten in rekening worden
gebracht, tenzij de vermindering wordt veroorzaakt door:

- niet-voorgeboorde draadnagels met een middellijn van 6 mm of minder;
- symmetrisch aangebrachte gaten voor bouten, stiften, schroeven en nagels in
kolommen;
- gaten in de drukzone van constructie-onderdelen die zijn gevuld met een materiaal
met een hogere stijfheid dan die van het hout.

(3) Wanneer de effectieve doorsnede van een verbinding met meer verbindingsmiddelen
moet worden bepaald, moeten de gaten die aanwezig zijn binnen een afstand kleiner dan
de helft van de minimale tussenafstand, gemeten evenwijdig aan de vezelrichting, worden
beschouwd als werkzaam in de betreffende doorsnede.






3.2.4 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) Voor de modificatiefactor k
mod
behoren de waarden uit tabel 3.1.7 te worden gebruikt.

3.2.5 Vingerlassen

P(1) Vingerlassen moeten voldoen aan prEN 385.

3.3 Gelamineerd hout

3.3.1 Prestatie-eisen

P(1) Gelamineerd hout met voldoen aan prEN 386.

3.3.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid

P(1) Karakteristieke waarden voor de sterkte- en stijfheids moeten f worden bepaald met
proeven uitgevoerd volgens prEN 408 en prEN 1193, f worden berekend op basis van de
eigenschappen van de lamellen en hun verbinding.

(2) In prEN 1194 is een methode gegeven voor het berekenen van karakteristieke waarden en
een systeem van sterkteklassen.

P(3) De karakteristieke waarden voor de sterkte moeten bij buiging worden gerelateerd aan
een hoogte en in trek aan een breedte van 600 mm, aan een volume van 0,01 m
3
bij de
treksterkte loodrecht op de vezel en aan een uniform belast volume van 0,0005 m
3
voor
de schuifsterkte.

(4) Indien bij gelamineerd hout de hoogte bij buiging of de breedte bij trek kleiner is dan 600
mm, mogen de karakteristieke waarden f
m,k
en f
t,0,k
volgens prEN 1194 worden verhoogd
met een factor k
h
:

'

,
_

15 . 1
h
600
Min k
2 . 0
h
(3.3.2)
waarin h de hoogte bij buiging of de breedte bij trek is, in mm.
Blz. 38 bis















(3) V Wanneer ter plaatse van een bepaalde doorsnede de effectieve doorsnede van een
verbinding met meer verbindingsmiddelen moet worden bepaald, moeten de gaten die
aanwezig zijn binnen een afstand kleiner dan de helft van de minimale tussenafstand,
gemeten evenwijdig aan de vezelrichting, worden beschouwd als aanwezig ter plaatse van
die bepaalde doorsnede.
































(5) C Met triplex wordt multiplex bedoeld.

Blz. 38
ENV 1995-1-1:1993



3.3.3 Afmetingen van gelamineerd hout

P(1) De effectieve doorsnede en de geometrische eigenschappen van een gelamineerd
onderdeel moeten worden berekend op basis van de nominale afmetingen. De afwijking
van de doorsnede ten opzichte van de nominale afmetingen
13)
moet voldoen aan de eisen
volgens prEN 390.

P(2) Verminderingen van het oppervlak van een doorsnede moeten in rekening worden
gebracht, tenzij de vermindering wordt veroorzaakt door:

- niet-voorgeboorde draadnagels met een middellijn van 6 mm of minder;
- symmetrisch aangebrachte gaten voor bouten, stiften, schroeven en nagels in
kolommen;
- gaten in de drukzone van constructie-onderdelen die zijn gevuld met een materiaal
met een hogere stijfheid dan die van het hout.

(3) Wanneer de effectieve doorsnede moet worden bepaald van een verbinding met meer
verbindingsmiddelen, moeten de gaten die aanwezig zijn binnen een afstand kleiner dan
de helft van de minimale tussenafstand, gemeten evenwijdig aan de vezelrichting, worden
beschouwd als werkzaam in de betreffende doorsnede.



3.3.4 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) Voor de modificatiefactor k
mod
behoren de waarden uit tabel 3.1.7 te worden gebruikt.

3.3.5 Volle-doorsnede vingerlassen

P(1) Volle-doorsnede vingerlassen moeten voldoen aan prEN 387.

P(2) In klimaatklasse 3 mogen geen volle doorsnede vingerlassen worden toegepast als ter
plaatse van de vingerlas de richting van de vezel verandert.

3.4 Houtachtige materialen

3.4.1 Triplex

3.4.1.1 Eisen

P(1) Triplex moet zo zijn geproduceerd dat in de betreffende klimaatklasse de onderlinge
samenhang en de sterkte gedurende de te verwachten levensduur van de draagconstructie
behouden blijft.

(2) Triplex dat voldoet aan prEN 636-3 mag worden toegepast in klimaatklasse 1,2 of 3.

(3) Triplex dat voldoet aan prEN 636-2 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1 of 2.

(4) Triplex dat voldoet aan prEN 636-1 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1.

(5) Triplex voor constructieve toepassingen behoort symmetrisch van opbouw zijn.

13)
De nominale afmetingen zijn gerelateerd aan een houtvochtgehalte van 12%.
Blz. 39 bis


















3.4.2.1
(2) C

Spaanplaten die voldoen aan de norm prEN 312-5 (wat gelijkwaardig is met de
spaanplaten het type B volgens STS 04) of aan de norm prEN 312-7 kunnen in
klimaatklasse 2 worden toegepast.

De mechanische eigenschappen en de zwelling zijn gegeven in bijlage 6.



(3) C Spaanplaten die voldoen aan de norm prEN 312-4 (wat gelijkwaardig is met de
spaanplaten type A volgens STS 04) of aan de norm prEN 312-6 mogen enkel in
klimaatklasse 1 worden toegepast.

De mechanische eigenschappen en de zwelling zijn gegeven in bijlage 6.


Blz. 39
ENV 1995-1-1:1993




3.4.1.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid

P(1) De karakteristieke waarden die zijn gegeven in de relevante Europese normen moeten
worden gebruikt. Indien in deze Europese normen geen waarden zijn gegeven, moeten de
karakteristieke waarden voor de sterkte en stijfheid worden berekend volgens de methode
die in prEN 1058 is gegeven.

3.4.1.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) Voor de modificatiefactor k
mod
behoren de waarden uit tabel 3.1.7 te worden gebruikt.

3.4.2 Spaanplaat

3.4.2.1 Eisen

P(1) Spaanplaat moet zijn zo geproduceerd dat in de betreffende klimaatklasse de samenhang
en de sterkte gedurende de te verwachten levensduur van de constructie behouden blijft.

(2) Spaanplaat dat voldoet aan prEN 312-5 of -7 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1 of 2.







(3) Spaanplaat dat voldoet aan prEN 312-4 of -6 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1.





(4) Oriented strand board (OSB) dat voldoet aan klasse OSB 3 of 4 volgens prEN 300
behoort uitsluitend te worden toegepast in klimaatklasse 1 of 2.

(5) Oriented strand board (OSB) dat voldoet aan klasse OSB 2 volgens prEN 300 behoort
uitsluitend te worden toegepast in klimaatklasse 1.

3.4.2.2 Karakteristieke waarden van de sterkte en de stijfheid

P(1) De karakteristieke waarden die zijn gegeven in de relevante Europese normen moeten
worden gebruikt. Indien in de Europese normen geen waarden zijn gegeven, moeten de
karakteristieke waarden voor de sterkte en stijfheid worden berekend volgens de methode
die in prEN 1058 is gegeven.

3.4.2.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) In tabel 3.1.7 zijn waarden voor de modificatiefactor k
mod
gegeven.
Blz. 40 bis



























(1)P V Lijmen voor constructieve toepassingen moeten een zodanig sterke en duurzame verbinding
tot stand brengen dat in de betreffende klimaatklasse de samenhang van de lijmverbinding
gewaarborgd is gedurende de te verwachten levensduur van de constructie. Deze lijmen
worden als volgt ingedeeld:
Lijmen van het type I, kunnen weerstaan aan het buitenklimaat en/of aan langdurige
blootstelling aan temperaturen hoger dan 50 C.
NOTA : Voldoende weerstand en duurzaamheid kan bekomen worden met lijmen op basis
van fenol. Zoals bijvoorbeeld de lijmtypen resorsinol-fenol (RF), fenol-resorsinol-formol
(PRF) en fenol-formol (PF).
Lijmen van het type II, kunnen worden toegepast in verwarmde, verluchte en tegen de
regen beschermde gebouwen. De verlijmingen kunnen slechts een korte tijd aan regen
en/of aan temperaturen boven de 50C weerstaan.
NOTA : bijvoorbeeld lijmen op basis van casene, ureum-formol (UF), melamine-ureum-
formol (MUF) en melamine-formol (MF).

Blz. 40
ENV 1995-1-1:1993



3.4.3 Vezelplaat

3.4.3.1 Eisen

P(1) Vezelplaat moet zo zijn geproduceerd dat in de betreffende klimaatklasse de samenhang
en de sterkte gedurende de te verwachten levensduur van de draagconstructie behouden
blijft.

(2) Vezelplaat dat voldoet aan prEN 622-5 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1 of 2.

(3) Vezelplaat dat voldoet aan prEN 622-3 behoort uitsluitend te worden toegepast in
klimaatklasse 1.

3.4.3.2 Karakteristieke waarden voor de sterkte en de stijfheid

P(1) De karakteristieke waarden die zijn gegeven in de relevante Europese normen moeten
worden gebruikt. Indien in de Europese normen geen waarden zijn gegeven, moeten de
karakteristieke waarden voor de sterkte en stijfheid worden berekend overeenkomstig de
methode die in prEN 1058 is gegeven.

3.4.3.3 Modificatiefactoren voor de klimaatklasse en de belastingsduur

(1) Voor de modificatiefactor k
mod
behoren de waarden uit tabel 3.1.7 te worden gebruikt.

3.5 Lijmen

P(1) Lijmen voor constructieve toepassingen moeten een zodanig sterkte en duurzame
verbinding tot stand brengen dat in de betreffende klimaatklasse de samenhang van de
lijmverbinding gewaarborgd is gedurende de te verwachten levensduur van de
constructie.















(2) Lijmen die voldoen aan de eisen van Type I volgens EN 301 mogen in alle
klimaatklassen worden gebruikt.

(3) Lijmen die voldoen aan de eisen van Type II volgens EN 301 behoren uitsluitend te
worden gebruikt in klimaatklasse 1 en 2 en mogen niet gedurende langere tijd worden
blootgesteld aan temperaturen hoger dan 50.
Blz. 41 bis










(2) V
De belastingcombinatie voor de bruikbaarheidsgrenstoestand hangt af van het gekozen
criteria :

- criteria de schade is belangrijk :

Indien het overschrijden van de toegelaten doorbuiging belangrijke schade of hinder
veroorzaakt dan wordt voor de berekening van de doorbuiging de zeldzame
belastingscombinatie genomen :

G
k,j
+ G
k,1
+

>1 i

0,i
Q
k,I


- criteria de schade is onbelangrijk ( bijvoorbeeld uitzicht ):

Indien het overschrijden van de toegelaten doorbuiging onbelangrijke schade of hinder
veroorzaakt dan wordt voor de berekening van de doorbuiging de veelvuldige
belastingscombinatie genomen:

G
k,j
+
1,1
Q
k,1
+

>1 i

2,i
Q
k,i

Voorbeeld : Doorbuiging van een vloer

Eigen gewicht vloer G = 0,5 kN/m
Gebruikslast Q = 2 kN/m
Volgens 4.1.(6), dienen de doorbuigingen te worden vermenigvuldigd met (1+k
def
) met:

k
def
= 0,60 voor het eigen gewicht ( permanente belasting klimaatklasse 1)
= 0,25 voor de gebruikslast ( middellange belasting klimaatklasse 1)

Bij de zeldzame belastingscombinatie wordt de doorbuiging berekend met een equivalente
belasting van
Q
equ,d
= 1,6 . 0,5 + 1,25 . 2 = 3,3 kN/m

Bij de veelvuldige belastingcombinatie wordt de doorbuiging berekend met een equivalente
belasting van (
1,1 = 0,5 voor woningen)

Q
equ,d
= 1,6 . 0,5 + 0,5 . 1,25 . 2 = 2,05 kN/m




Blz. 41
ENV 1995-1-1:1993



4 BRUIKBAARHEIDSGRENSTOESTANDEN

4.1 Algemene eisen

P(1) De vervorming van een constructie door de effecten van belastingen (bijvoorbeeld
normaal- en dwarskrachten, buigende momenten en verschuiving in de verbinding) en
vervormingen door vocht moeten binnen aanvaardbare grenzen blijven. Deze grenzen zijn
afhankelijk van de kans op schade aan bekledingen, plafonds, scheidingswanden en
afwerkingen en van funktionele en esthetische eisen.

(2) Combinaties van belastingen voor de bruikbaarheidsgrenstoestand moeten worden
berekend met:

G
k,j
+ G
k,1
+

>1 i

1,i
Q
k,i
(4.1a)



















(3) De bij belasting direct optredende verplaatsing u
inst
, behoort te worden berekend door
gebruik te maken van de gemiddelde waarde van de betreffende stijfheidsmodulus, en de
verschuivingsmodulus voor de bruikbaarheisgrenstoestand K
ser
, die bepaald wordt door
middel van beproeving volgens de in EN26891 beschreven methode voor de bepaling van
k
s
( = K
ser
).

(4) De totale vervorming u
fin
, ten gevolge van de belasting moet worden berekend met:

u
fin
= u
inst
(1 + k
def
) (4.1b)

Waarin k
def
de factor is die de toename van de vervorming in de tijd, door het
gecombineerde effect van kruip en vocht, in rekening brengt. Voor k
def
behoren de
waarden volgens tabel 4.1 te worden gebruikt.

(5) De totale vervorming van een samengestelde constructie die bestaat uit onderdelen met
verschillende kruipeigenschappen, behoort te worden berekend met aangepaste
stijfheidsmodulussen. Deze aangepaste stijfheidsmodulussen moeten per onderdeel
worden bepaald door de actuele stijfheidsmodulus te delen door de op het onderdeel van
toepassing zijnde waarde van ( 1 + k
def
).

6) Indien belastingen uit verschillende belastingsduurklassen gelijktijdig optreden, behoort
de bijdrage op de totale vervorming van iedere belasting afzonderlijk te worden berekend,
met de van toepassing zijnde waarde k
def
.


Blz. 42
ENV 1995-1-1:1993




Tabel 4.1 Waarden voor k
def
voor hout, houtachtige materialen en verbindingen
Klimaatklasse Materiaal / Belastingsduurklasse
1 2 3
Gezaagd hout *, gelamineerde hout
Permanent 0,60 0,80 2,00
Lang 0,50 0,50 1,50
Middellang 0,25 0,25 0,75
Kort 0,00 0,00 0,30
Triplex
Permanent 0,80 1,00 2,50
Lang 0,50 0,60 1,80
Middellang 0,25 0,30 0,90
Kort 0,00 0,00 0,40
Spaanplaat volgens prEN 312-6 ** en 7, OSB volgens prEN300, Klasse 3 en 4
Permanent 1,50 2,25 -
Lang 1,00 1,50 -
Middellang 0,50 0,75 -
Kort 0,00 0,30 -
Spaanplaat volgens prEN 312-4 ** en 5, OSB volgens prEN300, Klasse 2 **
Vezelplaat volgens prEN 622-5
Permanent 2,25 3,00 -
Lang 1,50 2,00 -
Middellang 0,75 1,00 -
Kort 0,00 0,40 -
Vezelplaat volgens prEN 622-3
Permanent 3,00 - -
Lang 2,00 - -
Middellang 1,00 - -
Kort 0,35 - -
* Voor gezaagd hout dat is aangebracht met een vochtgehalte rond het
vezelverzadigingspunt, en dat naar alle waarschijnlijkheid onder belasting nog
zal drogen, behoort k
def
te worden verhoogd met 1,0
** Mag niet worden gebruikt in klimaatklasse 2.

Blz. 43 bis




(1) A Bij stiftachtige verbindingen wordt de K
ser
per afschuifvlak en per verbindingsmiddel
gegeven in tabel 4.2 waarbij K de karakteristieke volumieke massa is in kg/m en d de
diameter van het verbindingsmiddel in mm.

























(4) A De verlenging van een houten staaf met twee verbindingen kan als volgt worden berekend:
)
K
2
A E
L
F u
ser moyen
inst
+
.
(
met F trekbelasting in de staaf
L de lengte van de staaf
E
moyen
gemiddelde elasticiteitsmodulus van het hout
A doorsnede van de staaf

(5) A Voor boutverbindingen behoort de direct optredende vervorming onder gebruiksbelasting
u
inst
te worden bepaald met :
ser
inst
K
F
mm 1 u +
met 1 mm forfaitaire verschuiving bij belasten
F belasting op de verbinding
K
ser
verschuivingsmodulus voor stiftvormige verbindingsmiddel (zie tabel 4.2)

(6) V De totale vervorming (u
fin
) van boutverbindingen moet worden berekend met :
ser
def fin
K
F
) k 1 ( mm 1 u + +

Blz. 43
ENV 1995-1-1:1993




4.2 Verschuiving in de verbindingen

(1) Voor verbindingen met stiftvormige verbindingsmiddelen behoort voor de
gebruiksbelasting de verschuivingsmodulus per afschuifvlak per verbindingsmiddel, K
ser

volgens tabel 4.2 te worden gebruikt, met
k
in kg/m en d in mm.


Tabel 4.2 Waarden van K
ser
voor stiftvormige verbindingsmiddelen in N/mm
Type verbindingsmiddel Hout-op-hout
Plaatmateriaal-op-hout
Staal-op-hout
Stiftvormige verbindingsmiddelen
Schroeven
Nagels ( met voorboren )

k
1,5
d/20
Nagels ( zonder voorboren )

k
1,5
d
0,8
/25
Nieten

k
1,5
d
0,8
/60

(2) Als de karakteristieke waarden van de volumieke massa van de twee te verbinden
constructie-onderdelen (
k,1
en
k,2
) verschillend zijn, behoren in de bovenstaande
formules voor
k
te worden aangehouden:

k,2 k,1 k
(4.2a)

(3) De totale vervorming van het verbindingsmiddel (u
fin
) behoort te worden bepaald met:

( )
def inst fin
k 1 u u + (4.2b)

(4) De totale vervorming van een verbinding opgebouwd uit constructie-onderdelen met
verschillende kruipfactoren (k
def,1
, k
def,2
) behoort te worden berekend met:

) k 1 ).( k 1 ( u u
def,2 def,1 inst fin
+ + (4.2c)





(5) Voor boutverbindingen behoort de direct optredende vervorming onder gebruiksbelasting
u
inst
te worden bepaald met

u
inst
= 1 mm + F/K
ser
(4.2d)

met K
ser
voor stiftvormige verbindingsmiddelen (zie tabel 4.2)


(6) De totale vervorming van boutverbindingen moet worden berekend met:

u
fin
= 1 mm + u
inst
(1 + k
def
) (4.2e)

waarbij u
inst
de direct optredende vervorming van het stiftvormige verbindingsmiddel is.
Blz. 44 bis























(2) V
(3)

De onderstaande waarden worden enkel ter inlichting gegeven en houden geen rekening
met de aanwezigheid van niet structurele elementen (wanden in brosse of stijve materialen).
De gegeven waarden veronderstellen dat de elastische vervorming van alle samenstellende
delen werd in rekening gebracht alsook de glijdingen in de verbindingsmiddelen.

Type structuurelement

Zonder tegenpijl
(u
0
= 0)
Met tegenpijl
(l / 600 < u
0
< u
1,fin
)
Nazicht van
(u
1
+ u
2
)
fin

Nazicht van
u
2,fin
en (u
1
+ u
2
)
fin

Daken


- hoofdbalken in zaaghout
of gelijmd gelamelleerd
hout
l / 300 l / 300 l / 200
- vakwerkbalken of -
spanten
l / 300
(*)
l / 300
(*)
l / 200
(*)

- overkragingen
l / 150 l / 150

- secondaire balken
(gordingen en kepers)

l / 200

Vloeren
l / 300

Kolommen
(horizontaal belast)

l / 500

Wanden
l / 300


(*)
Deze waarden worden resp. l / 600 , l / 400 en l / 400 indien de berekening geen
rekening houdt met de glijding in de verbindingen . l is de overspanning van de balk.
Blz. 44
ENV 1995-1-1:1993



4.3 Eisen voor de doorbuigingen

4.3.1 Liggers

(1) In figuur 4.3.1 worden de bijdragen aan de doorbuiging getoond, waarbij :
u
0
is de zeeg (indien van toepassing),
u
1
is de doorbuiging door de permanente belastingen ;
u
2
is de doorbuiging door de veranderlijke belastingen.

Figuur 4.3.1 Bijdragen aan de doorbuiging.

De totale doorbuiging ten opzichte van de rechte lijn die beide opleggingen met elkaar
verbindt, u
net
wordt berekend met:

u
net
= u
1
+ u
2
- u
0
(4.3.1)

(2) Daar waar het gewenst is grenzen te stellen aan de direct optredende vervormingen door
veranderlijke belastingen, worden de volgende waarden aanbevolen, tenzij door
bijzondere omstandigheden andere grenzen worden gewenst :

u
2,inst
l / 300 ( uitkraging l / 150 ) (4.3.2)

waarin l de overspanning of de lengte van de uitkraging is.

(3) In die gevallen waar het gewenst is grenzen te stellen aan de totale vervorming u
fin
,
worden de volgende waarden aanbevolen, tenzij door bijzondere omstandigheden andere
grenzen worden gewenst:

u
2,fin
l / 200 ( uitkraging l / 100 ) (4.3.3)

u
net,fin
l / 200 ( uitkraging l / 100 ) (4.3.4)












4.3.2 Vakwerken

(1) Bij vakwerken gelden de doorbuigingseisen zowel voor het totale vakwerk als voor de
individuele staven tussen de knopen.
Blz. 45 bis

































(2) V
Vloeren van woningen met een eerste eigenfrequentie groter dan 8 Hz (f
1
8Hz) moeten in
functie van de toepassing voldoen aan de volgende eisen:

u / F 1,5 mm/kN
en

( ) 1
1
100

f
v m/(N s)

waarin : u gelijk is aan de maximale verticale doorbuiging veroorzaakt door een verticale
geconcentreerde statische kracht F ;
v de snelheidsrespons is van een eenheidsimpulsbelasting. Dat wil zeggen de
maximale initile waarde van de verticale snelheid van de trilling van de vloer
(in m/s) veroorzaakt door een eenheidsimpulsbelasting (1 Ns) op een punt in
de vloer waar de maximale respons optreedt;
f
1
de eerste eigenfrequentie is ;
de dempingsfactor is.
Nota : - componenten boven 40 Hz mogen buiten beschouwing worden gelaten ;
- de verhouding u op F mag worden berekend rekening houdend met de
verdeling van de impulsbelasting op de vloer..

Blz. 45
ENV 1995-1-1:1993



4.4 Trillingen

4.4.1 Algemeen

P(1) Als van belastingen kan worden verwacht dat ze vaak optreden, moet worden nagegaan
dat ze geen trillingen veroorzaken die het functioneren van de constructie nadelig kunnen
benvloeden of die door de gebruikers als onaangenaam worden ervaren.

(2) De gevoeligheid van een vloer behoort te worden bepaald f door metingen f door
berekening. Hierbij moet de verwachte stijfheid en gemiddelde dempingfactor in rekening
worden gebracht..

(3) Bij de berekeningen behoren de gemiddelde waarden van de van toepassing zijnde
stijfheidsmodulussen te worden gebruikt.

(4) Een dempingfactor = 0,01 (1%) behoort te worden aangehouden, tenzij kan worden
aangetoond dat voor die toepassing andere waarden geschikter zijn.

4.4.2 Trillingen door machines

P(1) Trillingen veroorzaakt door machines met roterende onderdelen en andere in bedrijf
zijnde apparatuur moeten worden begrensd bij de te verwachten ongunstige combinaties
van permanente en veranderlijke belastingen.

(2) De door constant aanwezige trillingen in de vloer toegelaten niveaus behoren te worden
ontleend aan figuur 5a van bijlage A van ISO 2631-2 (1989) waarbij een
vermenigvuldigingsfactor van 1 moet worden gehanteerd.

4.4.3 Trillingen van vloeren

(1) Nader onderzoek is vereist voor vloeren met een eerste eigenfrequentie = 8 Hz
(f
1
= 8 Hz)..

(2) Vloeren met een eerste eigenfrequentie groter dan 8 Hz (f
1
> 8 Hz) moeten voldoen aan
de volgende eisen:

u / F 1,5 mm/kN (4.4.3a)
en
v 100
( ) 1 f
1

m/(N s) (4.4.3b)

waarin u gelijk is aan de maximale verticale doorbuiging veroorzaakt door een verticale
geconcentreerde statische kracht F, en v de snelheidsrespons van een
eenheidsimpulsbelasting. Dat wil zeggen de maximale initile waarde van de verticale
snelheid van de trilling van de vloer (in m/s) veroorzaakt door een
eenheidsimpulsbelasting (1 Ns) werkend op een punt in de vloer waar de maximale
respons optreedt. Componenten boven 40 Hz mogen buiten beschouwing worden gelaten.






(3) De berekening behoort te worden uitgevoerd met de aanname dat de vloer onbelast is. Dat
wil zeggen dat alleen het eigen gewicht van de vloer en andere permanente belastingen in
rekening moeten worden gebracht.
Blz. 46 bis


(4) V
Uitgaande van een vierzijdig opgelegd rechthoekig vloerveld l x b, waarbij de houten liggers
een overspanning l hebben, kan de eerste eigenfrequentie f
1
bij benadering worden
berekend als :
m
) I E (
2
k
2
1
l
l


f
f (4.4.3c)
met: k
f
afhankelijk van de geometrie en van de verhouding l
1
/ l
2
:


m is de massa per oppervlakte, in kg/m ;
l is de vloeroverspanning in m, gelijk aan l
1
+ l
2
;
(E.I)
l
is de equivalente buigstijfheid van de vloer om een as loodrecht op de
liggeras, in N.m/m.

(5) C De vergelijking (4.4.3d) dient als volgt te worden gelezen:
200 b m
n 6 . 0 4 . 0
4
40
+
+

l
v in [m/N.s]
met l, de overspanning van de vloer [m], gelijk aan l
1
+ l
2


(5) C
Voorbeeld van een berekening van buigstijfheid EI
l
et EI
b
:

Een vloer van een woning met afmetingen 3,9 x 4,8 m en opgelegd op de vier zijden is als
volgt samen gesteld ( van boven naar onder ):
- spaanplaat dikte 22 mm, conform de norm prEN 312-4 (E modulus = 1 900 N/mm)
- houten balken met een doorsnede van 45 x 220 mm, sterkteklasse C22 (norm EN 338
E modulus = 10 000 N/mm), tussenafstand 600 mm, overspanning 3,9 m.
- een belatting bestaande uit houten latten doorsnede 70 x 45 mm, sterkteklasse C16 ( E
modulus = 8 000 N/mm), tussenafstand 300 mm en 4,8 m lang
- een gipskartonplaat dikte 11 mm.
De buigstijfheid van de gipskartonplaat is verwaarloosbaar.
De equivalente buigstijfheden bedragen:
)
) N.m/m 10 861 . 15
12
22 1000 1900
3 , 0 12
45 70 8000
EI (
N.m/m 10 672 . 6
12
22 1000 1900
6 , 0 12
220 45 10000
EI (
3
3 3
b
5
3 3


+

l

l
1
/l
2


Blz. 46
ENV 1995-1-1:1993




(4) Uitgaande van een vierzijdig opgelegd rechthoekig vloerveld lb, waarbij de houten
liggers een overspanning l hebben, kan de eerste eigenfrequentie f
1
bij benadering
worden berekend als:

f
1
=
m
(EI)
2
l
l

(4.4.3c)

waarin :

m is de massa per oppervlakte, in kg/m;

l is de vloeroverspanning, in m ;

(EI)
l
is de equivalente buigstijfheid van de vloer om een as loodrecht op de
liggeras, in Nm/m.









(5) Voor v kan bij benadering worden aangehouden:

v = 4 ( 0,4 + 0,6 n
40
) / (m b l + 200) m/Ns (4.4.3d)

waarbij n
40
het aantal eerste orde trillingen is met een eigenfrequentie kleiner dan 40 Hz
en b de vloerbreedte in m is.

De waarde van n
40
kan worden berekend met:

n
40
=
) (EI
) (EI b
1 - )
f
40
(
0,25
b
4
2
1

'

,
_

,
_

l
l
(4.4.3e)

waarin (EI)
b
de equivalente buigstijfheid van de vloer om een as evenwijdig aan de
liggeras is, met (EI)
b
< (EI)
l
.
Blz. 47 bis



5.1.1
(1)P C

Het nazicht van structuurelementen volgens de uiterste grenstoestanden kan in de volgende organigram worden samengevat :
























met :
- (1) n,i = Ni/Ai et m,i = Mi / (I/v)i.
- (2) formule (5.1.6a) en (5.1.6b)
- (3) formule (5.1.9a) en (5.1.9b)
- (4) formule (5.1.10a) en (5.1.10b)
- (5) formule (5.2.1a) tot (5.2.1d)
- (6) formule (5.2.1e) tot (5.2.1h) en punt (3)
- (7) formule (5.2.2a) tot (5.2.2e)

5.1.3
(1)P C

De verhouding van het volume materie onder spanning V en het volume V
0
laat toe met het
volumeeffect rekening te houden, f
t,90,d
is de treksterkte bij het referentie volume (V
0
=0,01
m).

5.1.5
(1)P C

De druk loodrecht op de vezel f
c,90,d
is groter naarmate de belastingslengte l afneemt. Dit
veronderstelt dat de niet belaste lengte a tussen het uiteinde en het begin van de
aangrijpende last voldoende groot is. Dit effect wordt in rekening gebracht met de cofficint
k
c,90
.


Element i
Ni,Mi
Berekening van de interne spanningen
Bepaling van de critische secties
Buiging en/of
trek ?
Zuivere
buiging
Nazicht criterium buig-druk (4)
Berekening van de relatieve slankheid
Nazicht van de knik (6)
Nazicht kip (7)
Einde
nazicht
Nazicht criterium
buig-trek (3)
Nazicht criterium
zuivere buiging (2)
Ja

ja
neen
neen
Blz. 47
ENV 1995-1-1:1993



5 UITERSTE GRENSTOESTANDEN

5.1 Basiseisen

5.1.1 Algemeen

P(1) Dit hoofdstuk is van toepassing op constructie-onderdelen van gezaagd of gelamineerd
hout.

5.1.2 Trek evenwijdig aan de vezel

P(1) Aan de volgende voorwaarde moet worden voldaan:

t,0,d
f
t,0,d
(5.1.2)

5.1.3 Trek loodrecht op de vezel

P(1) Voor een gelijkmatig belast volume V in m moet aan de volgende voorwaarde worden
voldaan:

voor gezaagd hout
t,90,d
f
t,90,d
(5.1.3a)

voor gelamineerd hout
t,90,d
f
t,90,d
(V
0
/ V)
0,2
(5.1.3b)

waarin V
0
het referentie volume van 0,01 m is.

5.1.4 Druk evenwijdig aan de vezel

P(1) Aan de volgende voorwaarde moet worden voldaan:

c,0,d
f
c,0,d
(5.1.4)

P(2) Tevens moet een toetsing op instabiliteit worden uitgevoerd (zie 5.2.1).

5.1.5 Druk onder een hoek met de vezel

P(1) Voor druk loodrecht op de vezel moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan:

c,90,d
k
c,90
f
c,90,d
(5.1.5a)

waarbij k
c,90
een factor is (zie tabel 5.1.5) waarmee een verhoogde belasting in rekening
kan worden gebracht als de belaste lengte, l in figuur 5.1.5a, kort is.









Figuur 5.1.5a Druk loodrecht op de vezel
Blz. 48 bis
















































(2) C k
m
is de combinatiefactor voor de buigspanningen bij buiging om twee assen en houdt
rekening met het feit dat de buigsterkte van een balk niet volledig is opgebruikt wanneer de
som van de spanningen in een hoekpunt van de balk (bekomen met de elastische theorie) de
breukspanning bereikt.

Blz. 48
ENV 1995-1-1:1993




Tabel 5.1.5 Waarden van k
c,90

l
1
> 150 mm l
1
150 mm
a 100 mm a < 100 mm
l 150 mm
1 1 1
150 > l 15 mm
1 1
150
170
+
l
1
150
17000
+
a ( ) l

15 mm > l
1 1,8 1 + a / 125


(2) De drukspanningen onder een hoek met de vezelrichting, (zie figuur 5.1.5b), behoren
aan de volgende voorwaarde te voldoen:


c,0,d


2 2
d c,90,
d c,0,
d c,0,
cos sin
f
f
f
+
(5.1.5b)



Figuur 5.1.5b Spanningen onder een hoek met de vezelrichting



5.1.6 Buiging

P(1) Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

1
f

f

k
d z, m,
d z, m,
d y, m,
d y, m,
m
+

(5.1.6a)

1
f

k
f

d z, m,
d z, m,
m
d y, m,
d y, m,
+

(5.1.6b)

waarin
m,y,d
en
m,z,d
de rekenwaarden voor de buigspanning om de liggerassen zoals
weergegeven in figuur 5.1.6, en f
m,y,d
en f
m,z,d
de overeenkomstige rekenwaarden voor de
buigsterkte zijn.

(2) Voor k
m
behoren de volgende waarden te worden aangehouden:

- voor rechthoekige doorsneden : k
m
= 0,7

- voor andere doorsneden : k
m
= 1

P(3) Tevens moet een toetsing op instabiliteit worden uitgevoerd (zie 5.2.2).

Blz. 49 bis




















5.1.7.1
(2) C

Het begrip gereduceerde afschuifspanning komt doordat de afschuifspanningen, veroorzaakt
door een belasting die dicht bij het steunpunt aangrijpt, in werkelijkheid kleiner zijn dan de
theoretisch berekende. De invloedslijn van de afschuifkracht V is getekend in de figuur
5.1.7.1. Voor alle belastingen die aangrijpen op minder dan 2h van het steunpunt wordt voor
de bepaling van de afschuifkracht t.p.v. de opleg de gereduceerde invloedslijn gebruikt. Dus
de afschuifkracht wordt gereduceerd maar niet de reactie in het steunpunt.

















R
h
Blz. 49
ENV 1995-1-1:1993





Figuur 5.1.6 Liggerassen


5.1.7 Afschuiving

5.1.7.1 Algemeen

P(1) Aan de volgende voorwaarde moet worden voldaan:

d
f
v,d
(5.1.7.1)

(2) Nabij opleggingen mag de bijdrage van een puntlast F aan de totale dwarskracht, indien
gelegen binnen een afstand 2 h van de oplegging, worden gereduceerd overeenkomstig de
invloedslijn zoals gegeven in figuur 5.1.7.1.




Figuur 5.1.7.1 Gereduceerde invloedslijn voor puntlasten


5.1.7.2 Liggers met een verjonging bij de oplegging

P(1) Bij liggers met een verjonging bij de oplegging, (zie figuur 5.1.7.2), moet de
schuifspanning worden berekend met de effectieve (gereduceerde) hoogte h
e
.

P(2) Indien de verjonging zich bevindt aan de door de oplegreactie belaste zijde (zie figuur
5.1.7.2a) moet de invloed van spanningsconcentraties door de inspringende hoek worden
beschouwd.
Invloedslijn voor V
Gereduceerde invloedslijn


Blz. 50
ENV 1995-1-1:1993




(3) Aan de volgende voorwaarde moet worden voldaan:

e
= 1,5 V / b h
e

k
v
f
v,d
(5.1.7.2a)

Voor liggers waarvan de verjonging zich bevindt aan de onbelaste zijde:

k
v
= 1 (5.1.7.2b)

Voor liggers waarvan de verjonging zich bevindt aan de belaste zijde:

1 (5.1.7.2c)


k
v
= min

( )

,
_

,
_

+
2
5 , 1
n
1
h
x
8 , 0 1 h
h
i 1 , 1
1 k


(5.1.7.2d)

Voor de factor k
n
behoren de volgende waarden te worden aangehouden:

- voor gezaagd hout: k
n
= 5
- voor gelamineerd hout k
n
= 6,5

De symbolen zijn als volgt gedefinieerd:

h is de liggerhoogte, in mm ;
x is de afstand van de werklijn van de oplegreactie tot de inspringende hoek ;
h
e
/ h ;
i is de helling van de verjonging (zie figuur 5.1.7.2a).




(a) Verjonging aan de belaste zijde (b) Verjonging aan de onbelaste zijde

Figuur 5.1.7.2 a en b Liggers met een verjonging bij de oplegging


Blz. 51
ENV 1995-1-1:1993




5.1.8 Torsie

P(1) De torsieschuifspanningen moeten voldoen aan de volgende voorwaarde:

tor,d
f
v,d
(5.1.8)

5.1.9 Gecombineerde buig- en axiale trekspanningen

P(1) Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

1
f

k
f

f

d z, m,
d z, m,
m
d y, m,
d y, m,
d 0, t,
d 0, t,
+ +

(5.1.9a)

1
f

f

k
f

d z, m,
d z, m,
d y, m,
d y, m,
m
d 0, t,
d 0, t,
+ +

(5.1.9b)

waarin
t, 0, d
de rekenwaarde van de trekspanning en f
t, 0, d
de rekenwaarde van de
treksterkte is.

(2) Voor k
m
zijn de waarden volgens 5.1.6 van toepassing.

5.1.10 Gecombineerde buig- en axiale drukspanningen

P(1) Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan:

1
f

k
f

f

d z, m,
d z, m,
m
d y, m,
d y, m,
2
d 0, c,
d 0, c,
+ +

,
_


(5.1.10a)

1
f

f

k
f

d z, m,
d z, m,
d y, m,
d y, m,
m
2
d 0, c,
d 0, c,
+ +

,
_


(5.1.10b)

waarin
c, 0, d
de rekenwaarde van de drukspanning en f
c, 0, d
de rekenwaarde van de
druksterkte is.

(2) Voor k
m
zijn de waarden volgens 5.1.6 van toepassing.

P(3) Tevens moet een toetsing op instabiliteit worden uitgevoerd (zie 5.2.1).
Blz. 52 bis

V



(2) C
(3)
(4)




5.2. KOLOMMEN EN LIGGERS: KNIKINSTABILITEIT EN KIPINSTABILITEIT

5.2.1. Kolommen ( nazicht bij een combinatie van buiging-druk - knikinstabiliteit )

Het nazicht van elementen die onderhevig zijn aan druk, buiging en knik gebeurt als volgt:

1) Bepalen van de traagheidsstraal :
A
I
z y,
z y,
i
2) Bepalen van de slankheid :
z y,
z y,
i
l
flamb
met l
flamb
, de kniklengte
3) Berekening van de kritische spanning: formule (5.2.1c) en (5.2.1d)

4) Berekening van de relatieve slankheden
rel,y
et
rel,z
: formule (5.2.1a) en (5.2.1b)

5) Nazicht of
rel,y
0.5 en
rel,z
0.5. Indien ja, nazicht van (5.1.10a) en (5.1.10b).

6) Anders nazicht van (5.2.1e) en (5.2.1f).


In bijlage 8 worden de waarden van k
c
in functie van de kniklengte weergegeven.


Blz. 52
ENV 1995-1-1:1993



5.2 KOLOMMEN EN LIGGERS

5.2.1 Kolommen

P(1) De buigspanningen veroorzaakt door initile kromming, excentriciteiten en de daardoor
veroorzaakte tweede-orde doorbuiging moeten in rekening worden gebracht, boven op de
spanningen die worden veroorzaakt door een zijdelingse belasting.

(2) De relatieve slankheden zijn gedefinieerd als:


y crit c
k c
y rel
f
, ,
, 0 ,
,

(5.2.1a)
en




z crit, c,
k c,0,
z rel,

f
(5.2.1b)
waarin

c,crit,y
=
2
y
05 , 0
2
E

(5.2.1c)

c,crit,z
=
2
z
05 , 0
2
E

(5.2.1d)

y
en
rel, y
hebben betrekking op buiging om de y-as (doorbuiging in de z-richting).

z
en
rel, z
hebben betrekking op buiging om de z-as (doorbuiging in de y-richting).

(3) Voor zowel
rel, z
0,5 en
rel, y
0,5 geldt dat de spanningen behoren te voldoen aan de
voorwaarden 5.1.10 a en b .

(4) In alle overige gevallen moeten de spanningen voldoen aan de volgende voorwaarden:
1
f

k
f

f k

d y, m,
d y, m,
m
d z, m,
d z, m,
d c,0, z c,
d c,0,
+ +

(5.2.1e)
1
f

f

k
f k

d y, m,
d y, m,
d z, m,
d z, m,
m
d c,0, y c,
d c,0,
+ +

(5.2.1f)
met:
k
c,y
=
2
y rel,
2
y y
k k
1
+
(idem voor k
c, z
) (5.2.1g)
k
y
=

( ) ( )
2
y rel, y rel, c
5 , 0 1 5 , 0 + + (idem voor k
z
) (5.2.1h)

De symbolen zijn als volgt gedefinieerd:

m
is de buigspanning ten gevolge van zijdelingse belastingen;

c
is een factor voor constructie-onderdelen die voldoen aan de toleranties voor
rechtheid zoals gedefinieerd in hoofdstuk 7:
- voor gezaagd hout:
c
= 0,2,
- voor gelamineerd hout:
c
= 0,1
k
m
is als vermeld in 5.1.6
Blz. 53 bis

V




5.2.2. Liggers ( nazicht van kipinstabiliteit )

Berekeningsprocedure:

1) Berekening van de kritische spanning volgens de kiptheorie:

,
_

,
_

,
_

y z
y z
p
2
05 , 0
2
z
crit m,
I I
I I
I G
E
W
1
l


met : W
z
, De buigweerstand van de balk (I/v)
E
0,05
, de elasticiteitsmodulus van het materiaal
l, lengte van de ligger
G, de elasticiteitsmodulus in torsie
I
p
, polair traagheidmoment van de balk
I
z
, traagheidsmoment om de Z as
I
y
, traagheidsmoment om de Y as

2) Berekening van de relatieve slankheid:
crit m,
k m,
m rel,
f


3) Berekening van de k
crit
volgens de formule (5.2.2c), (5.2.2d) et (5.2.2e)

4) Nazicht van (5.2.2b).


Blz. 53
ENV 1995-1-1:1993



5.2.2 Liggers

P(1) De buigspanningen veroorzaakt door initile kromming, excentriciteiten en de daardoor
veroorzaakte tweede-orde vervorming moeten in rekening worden gebracht, boven de
spanningen die worden veroorzaakt door een zijdelingse belasting.

(2) De relatieve slankheid voor buiging is gedefinieerd als:

f
crit m, k m, m rel,
(5.2.2a)

waarin
m crit
gelijk is aan de kritische buigspanning berekend volgens de klassieke
stabiliteitstheorie, met 5-percentielwaarden voor de stijfheid.

(3) De spanningen behoren te voldoen aan de volgende voorwaarde:

m,d
k
crit
f
m,d
(5.2.2b)

waarin k
crit
een factor is die de gereduceerde sterkte ten gevolge van kip in rekening
brengt.

(4) Voor liggers met een initile zijdelingse uitbuiging gelegen binnen de gestelde eisen van
hoofdstuk 7, mag k
crit
worden bepaald met (5.2.2 c e).

1 voor
m rel,
0,75 (5.2.2c)

k
crit
=
m rel,
75 , 0 56 , 1 voor 0,75 <
m rel,
1,4 (5.2.2d)


2
m rel,
/ 1 voor 1,4 <
m rel,
(5.2.2e)

(5) Voor liggers waarvan de zijdelingse verplaatsing aan de drukzijde over de lengte van de
ligger is verhinderd en waarvan de torsierotatie om de liggeras bij de opleggingen is
verhinderd, mag de factor k
crit
worden gelijkgesteld aan 1.

5.2.3 Ligger met eenzijdig verlopende hoogte

P(1) De invloed van de verlopende hoogte (tapsheid) op de buigspanningen evenwijdig aan de
rand moet in rekening worden gebracht.


Figuur 5.2.3 Ligger met eenzijdig verlopende hoogte
dwarsdoorsnede
Blz. 54 bis















































(2) C De waarde van k
r
is gegeven in punt (4) pagina 56.
De buigspanningen moeten berekend worden in de topzone, waar het buigmoment
maximaal is. Het is op die plaats dat ook de geometrische karakteristieken van de
doorsnede ( hoogte h en breedte b ) worden bepaald die in de spanningsberekening
worden gebruikt.

(2) A Buiten de topzone worden de buigspanningen berekend met de formules (5.2.3) .

Blz. 54
ENV 1995-1-1:1993



(2) Indien voor een niet prismatische ligger de vezelrichting evenwijdig is aan een van de
randen en de tapsheid 10, behoort de buigspanning in de buitenste vezel, daar waar
de vezelrichting evenwijdig loopt aan de rand, te worden berekend met :


m,0,d
( 1 + 4 tg)
2
d
h b
M 6
(5.2.3a)

en met :


m,,d
( 1 4 tg)
2
d
h b
M 6
(5.2.3b)

aan de tapse zijde.

(3) De spanningen in de buitenste vezel aan de tapse zijde behoren te voldoen aan de
volgende voorwaarde :

m,,d
f
m,,d
(5.2.3c)

waarin


2 2
d 0 9 t,
d m,
d m,
d m,
cos sin
f
f
f
f
+

,
,
(5.2.3d)

in geval van trekspanningen evenwijdig aan de tapse zijde, en :


2 2
d c,90,
d m,
d m,
d m,
cos sin
f
f
f
f
+

,
(5.2.3e)

in geval van drukspanningen evenwijdig aan de tapse zijde.

5.2.4 Liggers met tweezijdig verlopende hoogte, gekromde liggers en zadeldakliggers

P(1) Voor elk deel van de ligger met een eenzijdig verlopende hoogte gelden de eisen zoals
vermeld in 5.2.3.

P(2) In de doorsnede van de topzone (zie figuur 5.2.4), moeten de buigspanningen voldoen aan
de volgende voorwaarde:

m,d
k
r
f
m,d
(5.2.4a)

waarin k
r
de factor is die de reductie in sterkte in rekening brengt door buiging van de
lamellen tijdens de productie.
Blz. 55 bis

(2) C Het verloop van de buigspanningen en de loodrechte trekspanningen zijn in onderstaande
figuren weergegeven:




Zadeldakligger



h
ap
= h+ l/2.tan
voor een ligger met tweezijdig verlopende hoogte
h
ap
= h+ l/2.(tan-tan) + r
in
.( cos
-1
- 1)
voor een zadeldak ligger
h is de hoogte t.p.v. het steunpunt en l is de overspanning

Topzone

geval (a) :




geval (b) :




geval (c) :
Blz. 55
ENV 1995-1-1:1993






Figuur 5.2.4 Liggers met tweezijdig verlopende hoogte (a), gekromde ligger (b)
en zadeldakligger (c)
topzone
topzone
topzone
a) Ligger met tweezijdig verlopende hoogte
b) gekromde ligger
c) zadeldak ligger
Blz. 56 bis


(3) C De buigspanning moet berekend worden in de topzone waar het buigmoment maximaal is
Het is op die plaats dat ook de geometrische karakteristieken van de doorsnede ( hoogte h
en breedte b ) worden bepaald die in de spanningsberekening worden gebruikt.
Voor gekromde liggers met constante doorsnede is gelijk aan 0.

(3) A
k
l
kan ook grafisch worden bepaald :











(5) V ...
- V is het volume van de topzone in m. Deze ganse topzone is onderhevig aan loodrechte
trekspanningen. In de formule (5.2.4k) wordt rekening gehouden met het volumeeffect op
deze trekspanningen De maximum waarde voor V bedraagt 2/3 van V
b
met V
b
het volume
van de totale ligger:

- voor liggers met tweezijdig verlopende hoogte : V = b h
ap
)
4
tan
1 (


- voor gekromde liggers met constante hoogte : V = V
1
= b h
r

,
_

+
r
in
h
r
5 , 0 (2 / 180)
- voor zadeldakliggers :

1) = : V = V
1
+ V
2

met V
2
= b h
r

2
r
in
h
r
1

,
_

+ ( tan - / 180)
2) > : V = V
1
+ V
2
+ V
3

met V
3
= b h
r

2
r
in
h
r
1

,
_

+ sin (tan - tan )




Definitie van V
1
, V
2
, V
3
en h
r

Blz. 56
ENV 1995-1-1:1993




(3) De buigspanning in de doorsnede van de topzone moet worden berekend met:


m,d
k
l

2
p a
d p, a
h b
M 6
(5.2.4b)

waarin h
ap
, r en zijn gedefinieerd in figuur 5.2.4, en


3
p a
4
2
p a
3
p a
2 1
r
h
. k
r
h
. k
r
h
. k k k

,
_

,
_

,
_

+
l
(5.2.4c)

met

k
1
= 1 + 1,4 tg + 5,4 tg (5.2.4d)

k
2
= 0,35 - 8 tg (5.2.4e)

k
3
= 0,6 + 8,3 tg - 7,8 tg (5.2.4f)

k
4
= 6 tg (5.2.4g)

(4) Voor liggers met tweezijdig verlopende hoogte geldt k
r
= 1. Voor gekromde liggers en
zadeldakliggers behoort voor k
r
te worden aangehouden :

1 voor r
in
/ t 240 (5.2.4h)
k
r
=
0,76 + 0,001 r
in
/ t voor r
in
/ t < 240 (5.2.4j)

waarin r
in
gelijk is aan de kleinste straal van de kromming en t gelijk is aan de dikte van
de lamel.

(5) In de doorsnede van de topzone behoren de grootste trekspanningen loodrecht op de vezel
te voldoen aan de volgende voorwaarde:

t,90,d
k
dis
(V
0
/ V )
0,2
f
t,90,d
(5.2.4k)

waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

k
dis
is een factor die het effect van de spanningsverdeling in de doorsnede van de
topzone in rekening brengt, waarbij :

- voor liggers met tweezijdig verlopende hoogte en gekromde liggers : k
dis
= 1,4

- voor zadeldakliggers: k
dis
= 1,7

V
0
is het referentievolume van 0,01 m

V is het volume van de doorsnede van de topzone in m (zie figuur 5.2.4). Als
maximumwaarde voor V behoort 2 V
b
/ 3 te worden aangehouden, waarin V
b
gelijk is
aan het totale volume van de ligger
Blz. 57 bis




(6) A k
p
kan grafisch worden bepaald :




Blz. 57
ENV 1995-1-1:1993



(6) De grootste trekspanningen loodrecht op de vezel ten gevolge van een buigend moment
behoren te worden berekend met :


t,90,d
k
p

2
p a
d p, a
h b
M 6
(5.2.4l)

waarin


2
p a
7
p a
6 5 p
r
h
. k
r
h
. k k k

,
_

,
_

+ (5.2.4m)

met

k
5
= 0,2 tg (5.2.4n)

k
6
= 0,25 - 1,5 tg + 2,6 tg (5.2.4o)

k
7
= 2,1 tg - 4 tg (5.2.4p)

5.3 Samengestelde constructiedelen

5.3.1 Gelijmde liggers met lijven van houtachtige plaatmaterialen

P(1) Over de hoogte van de ligger moet een lineaire rekverdeling worden aangehouden.



Figuur 5.3.1 Gelijmde liggers met lijven van houtachtige plaatmaterialen

druk
trek


Blz. 58
ENV 1995-1-1:1993



(2) De normaalspanningen in de flenzen moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :

f,c,max,d
f
m,d
(5.3.1a)

f,t,max,d
f
m,d
(5.3.1b)

f,c,d
k
c
f
c,0,d
(5.3.1c)

f,t,d
f
t,0,d
(5.3.1d)

waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

f,c,max,d
is de rekenwaarde van de drukspanning in de buitenste vezel van de flens ;

f,t,max,d
is de rekenwaarde van de trekspanning in de buitenste vezel van de flens ;

f,c,d
is de rekenwaarde van de gemiddelde drukspanning in de flens ;

f,t,d
is de rekenwaarde van de gemiddelde trekspanning in de flens ;

k
c
is een factor die kip in rekening brengt.

(3) De factor k
c
mag worden bepaald (conservatief, vooral voor kokerliggers met
rechthoekige doorsnede) volgens 5.2.1 met b l 12
c z
, waarin l
c
gelijk is aan de
afstand tussen de punten langs de liggeras waar de drukflens tegen zijdelings uitbuigen is
gesteund, en b is weergegeven in figuur 5.3.1. In het geval dat de kipinstabiliteit van de
gehele ligger wordt onderzocht, mag k
c
= 1 worden aangenomen.



(4) De normaalspanningen in de lijven moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :

w,c,d
f
c,w,d
(5.3.1e)

w,t,d
f
t,w,d
(5.3.1f)

waarin
w,c,d
en
w,t,d
gelijk zijn aan de rekenwaarde van de druk- en trekspanning, en
f
c,w,d
en f
t,w,d
gelijk zijn aan de rekenwaarde van de druk- en treksterkte van de lijven.

(5) Tenzij andere waarden zijn voorgeschreven behoren voor de rekenwaarde voor de trek-
en druksterkte van de lijven de rekenwaarden voor de trek- en druksterkte in het plaatvlak
te worden aangehouden.

(6) Er behoort te worden aangetoond dat de aanwezige lassen voldoende sterk zijn.
Blz. 59 bis


(7) C V
d
is de berekende afschuifkracht per lijfpaneel of per flenselement.
















5.3.1
P(1) A

De afschuifspanningen tussen lijf en flens worden berekend volgens:
c f,
d moy,
h I 2
. V


met : - H, het statisch moment van de flens
- h
f,c
is de hoogte van de flens






5.3.2
(1) C

Ter inlichting, de dikte van de lijfplaten bedraagt normaal 10 a 18 mm.

5.3.2
(3) A

b
c,ef
is de maximaal medewerkende flensbreedte die bepaald wordt door rekening te houden
met de schuifspanningen en met de knik in de flens.
b
t,ef
is de medewerkende flensbreedte die bepaald wordt enkel door rekening te houden met
de schuifspanningen

Blz. 59
ENV 1995-1-1:1993




(7) Tenzij een gedetailleerde plooiberekening wordt gemaakt behoort te worden
gecontroleerd dat:

h
w
70 b
w
(5.3.1g)

en

h
w
b
w
(1 + 0,5 ( h
f,t
+ h
f,c
) / h
w
). f
v,0,d
voor h
w
35 b
w
(5.3.1h)
V
d

35 b
w
(1 + 0,5 ( h
f,t
+ h
f,c
) / h
w
). f
v,0,d
voor 35 b
w
h
w
70 b
w
(5.3.1j)

waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

h
w
is de hoogte van het lijf ;
h
f,c
is de hoogte van de drukflens ;
h
f,t
is de hoogte van de trekflens ;
b
w
is de breedte van het lijf ;
f
v,0,d
is de rekenwaarde voor de paneelschuifsterkte.

(8) Voor de aansluitvlakken 1-1 in figuur 5.3.1 behoort te worden aangetoond dat :

f
v,90,d
voor h
f
4 b
w
(5.3.1k)

moy,d

f
v,90,d
(4 b
w
/ h
f
)
0,2
voor h
f
> 4 b
w
(5.3.1l)

waarin
moy,d
gelijk is aan de rekenwaarde van de schuifspanning in aansluitvlak 1-1,
uitgaande van een gelijkmatige verdeling, f
v,90,d
de rekenwaarde van de rolschuifsterkte
van het lijf is en h
f
gelijk is aan h
f,c
of h
f,t
..

5.3.2 Gelijmde liggers met flenzen van houtachtige plaatmaterialen

P(1) Over de hoogte van de ligger moet een lineaire rekverdeling worden aangehouden.

P(2) Er moet rekening worden gehouden met een niet gelijkmatige verdeling van de
spanningen in de flenzen ten gevolge van verschuivingen en plooien.

(3) Tenzij een gedetailleerde berekening wordt gemaakt moet het samengestelde
constructiedeel worden beschouwd als een aantal I-liggers of U-liggers (zie figuur 5.3.2)
met een meewerkende flensbreedte b
ef
waarin :

b
ef
= b
c,ef
+ b
w
( of b
t,ef
+ b
w
) (5.3.2a)
of
b
ef
= 0,5 b
c,ef
+ b
w
( of 0,5 b
t,ef
+ b
w
) 5.3.2b)

De warden voor b
c,ef
en b
t,ef
behoren niet groter te zijn dan de maximale waarde die is
bepaald met een berekening van de verschuiving. Tevens mag de waarde voor b
c,ef
niet
groter zijn dan de maximale waarde die is bepaald met een plooiberekening.


Blz. 60
ENV 1995-1-1:1993




(4) De maximale meewerkende flensbreedte ten gevolge van de invloed van verschuiving en
plooi zijn gegeven in tabel 5.3.2, waarin l gelijk is aan de overspanning van de ligger.

Tabel 5.3.2 Maximale meewerkende flensbreedte ten gevolge van de
invloeden van verschuiving en plooi
Materiaal van de flens Verschuiving Plooien
Triplex, met vezelrichting van
het dekfineer :
- evenwijdig met de lijven
- loodrecht op de lijven


0,10 l
0,10 l


25 h
f

20 h
f

Oriented strand board 0,15 l
25 h
f

Spaanplaat of vezelplaat met
een willekeurige vezelorintatie
0,20 l
30 h
f



(5) In verband met plooi behoort de niet verlijmde breedte van de flens niet groter te zijn dan
twee maal de meewerkende breedte, tenzij een gedetailleerde plooionderzoek wordt
uitgevoerd.

(6) Voor aansluitvlak 1-1 in figuur 5.3.2 behoort te worden aangetoond dat :

moy,d
f
v,90,d
(5.3.2c)

waarin
moy,d
gelijk is aan de rekenwaarde van de schuifspanning in het aansluitvlak,
uitgaand evan een gelijkmatige verdeling, en f
v,90,d
gelijk is aan de rekenwaarde van de
(rol)schuifsterkte van de flens.















Figuur 5.3.2 Ligger met flenzen van houtachtige plaatmaterialen


Blz. 61
ENV 1995-1-1:1993



(7) De normaalspanningen in de flenzen, gebaseerd op de van toepassing zijnde
meewerkende breedte, behoort te voldoen aan de volgende voorwaarden :

f,c,d
f
f,c,d
(5.3.2d)

f,t,d
f
f,t,d
(5.3.2e)
waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

f,c,d
is de rekenwaarde van de gemiddelde drukspanning in de flens

f,t,d
is de rekenwaarde van de gemiddelde trekspanning in de flens
f
f,c,d
is de rekenwaarde van de druksterkte van de flens
f
f,t,d
is de rekenwaarde van de treksterkte van de flens

(8) Er behoort te worden aangetoond dat aanwezige lassen voldoende sterk zijn.

5.3.3 Doorgaand met stiftvormige verbindingsmiddelen verbonden liggers

P(1) Indien de doorsnede van een constructiedeel is samengesteld uit verschillende delen die
verbonden zijn met stiftvormige verbindingsmiddelen moet rekening worden gehouden
met de invloed van de verschuiving in de verbinding.

(2) Berekeningen behoren te worden uitgevoerd uitgaande van een lineaire relatie tussen
kracht en verschuiving in de verbinding.

(3) De verschuivingsmodulus K
u
per aansluitvlak bij stiftvormige verbindingsmiddelen
behoort voor berekeningen in de uiterste grenstoestand gelijk te worden gesteld aan

K
u
= 2 K
ser
/ 3 (5.3.3a)
Waarden van K
ser
zijn gegeven in 4.2.

(4) Indien de tussenafstand van de verbindingsmiddelen langs de lengte-as van de ligger
gelijkmatig varieert tussen s
min
en s
max
( 4 s
min
), volgens het verloop van de
schuifkracht, mag een effectieve waarde s
ef
worden aangehouden, waarin :

s
ef
= 0,75 s
min
+ 0,25 s
max
(5.3.3b)

(5) De spanningen behoren minimaal te worden berekend bij de direct optredende
vervorming en bij de totale vervorming, gebruikmakend van de van toepassing zijnde
waarden van k
def
, als vermeld in tabel 4.1.

(6) In bijlage B.1
14)
is een methode beschreven waarmee de draagkracht van mechanisch
verbonden liggers kan worden berekend.

5.3.4 Mechanisch verbonden kolommen en gelijmde kolommen

P(1) De vervormingen door verschuiving in de verbindingen, verschuiving en buiging in
klossen, koppelplaten, regels en randstaven, en door normaalkrachten in het vakwerk
moeten in rekening worden gebracht.

(2) In bijlage C is een methode beschreven waarmee de draagkracht van I- en
kokerkolommen, vierendeel- en vakwerkkolommen kan worden berekend.

14)
De methode beschreven in deze bijlage kan worden toegepast op samengestelde constructiedelen
van hout in combinatie met andere materialen.


Blz. 62
ENV 1995-1-1:1993



5.4 Samengestelde constructies

5.4.1 Vakwerken

5.4.1.1 Algemeen

P(1) Tenzij een meer algemeen model is gebruikt, moeten de vakwerken voor de berekening
zijn geschematiseerd als liggerelementen die langs de systeemlijnen liggen en die
onderling zijn verbonden ter plaatse van de knopen (bijv. zoals aangegeven in figuur
5.4.1.1).

P(2) De systeemlijnen van alle elementen moeten binnen het profiel van de ligger liggen, en
bij randliggers samenvallen met de hartlijn.

(3) Fictieve liggerelementen mogen worden gebruikt om excentrische aansluitingen of
opleggingen te modelleren. De orintatie van de fictieve elementen behoren zo goed
mogelijk overeen te komen met de richting van de kracht in het element.

(4) In de berekening mag het geometrisch niet-lineaire gedrag van een ligger die belast is op
druk (knikinstabiliteit) worden verwaarloosd indien er rekening mee wordt gehouden bij
de toetsing van de individuele staaf.



Figuur 5.4.1.1 Voorbeelden van vakwerkconfiguraties en elementen voor de berekening


5.4.1.2 Berekening van de krachtverdeling

P(1) Vakwerken moeten worden berekend als raamwerken. Bij de bepaling van de krachten en
momenten in de liggers moet rekening worden gehouden met de vervormingen van de
liggers en de verbindingen, de invloed van de excentriciteiten van de opleggingen en de
stijfheid van de ondersteuningsconstructie.

P(2) Indien de systeemlijnen van de vakwerkstaven niet overeenkomen met de hartlijnen, moet
de invloed van de excentriciteit in rekening worden gebracht bij de toetsing van deze
staven.
(3) De berekening behoort te worden uitgevoerd met de betreffende waarden voor de
stijfheid, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3, en de verschuiving van de verbinding zoals
gedefinieerd in 4.2 of bijlage D. Voor de stijfheid van fictieve liggerelementen behoort
dezelfde waarde te worden genomen als die van de aansluitende elementen.

(4) Indien een niet-lineaire berekening wordt gemaakt, behoort de stijfheid van de onderdelen
te worden gedeeld door de partile factor
M
(gegeven in tabel 2.3.3.2).
systeemlijn
veld
oplegging
fictief
liggerelement
wandligger
randligger
Blz. 63 bis








(1) C De algemene methode is zeer compleet maar zeer moeilijk praktisch toepasbaar gezien de
beperkte kennis omtrent het semi- ingeklemd gedrag van de knopen in houtstructuren. De
vereenvoudigde rekenmethode is dus een noodzakelijk alternatief, gemakkelijk toepasbaar
en economisch verantwoord.

Aan enkele condities moet evenwel worden voldaan om toepasbaar te zijn :

Het spant is volledig opgebouwd uit driehoeken

In de buitenranden zijn geen inspringende hoeken aanwezig

Ten minste een deel van het oplegvlak ligt verticaal onder het steunpunt



de hoogte van het spant moet voldoen aan :
H
spant
> 0,15 . L
trekker

H
spant
> 10 . h
trekker

H
spant
> 10 . h
trekker


Volgende rekenregels dienen in acht genomen te worden :
de berekening van de normaalkrachten in de onderdelen wordt uitgevoerd in de
onderstelling dat de knooppunten scharnierend zijn.
De buigmomenten van onderdelen die slechts uit n veld bestaan (lengte gelijk aan de
tussenafstand van twee opeenvolgende knopen) worden berekend in de onderstelling dat
de knopen scharnierend zijn.
De momenten van een onderdeel dat doorloopt over meerdere velden ( dus doorlopend
is over meerdere knopen) worden berekend als een doorlopende balk op meerdere
steunpunten , de knopen zijnde de steunpunten .
De buigmomenten t.p.v. de knooppunten worden vermindering met 10 % teneinde
rekening te houden met het semi-ingeklemd karaker van de verbindingen en de
vervorming in de knooppunten
de veldmomenten worden berekend met de zo gereduceerde momenten.
Een organigram van de vereenvoudigde rekenmethode is gegeven in bijlage 7.
Steunpunt
Bintbalk
Spantbeen
Oplegvlak
Blz. 63
ENV 1995-1-1:1993



(5) In het algemeen mag worden aangenomen dat de verbindingen scharnierend zijn.

(6) Vervormingen in verbindingen mogen worden verwaarloosd bij de toetsing van de
sterkte, tenzij ze de verdeling van de inwendige krachten en momenten significant zouden
benvloeden.

(7) Indien de vervormingen geen significant effect hebben op de verdeling van de krachten
en momenten over de staven mogen de verbindingen als oneindig stijf worden
beschouwd.

5.4.1.3 Vereenvoudigde berekening van de krachtsverdeling

(1) Voor vakwerken die zijn opgebouwd uit driehoeken mag als alternatief voor de
berekening een vereenvoudigde berekening worden uitgevoerd, mits ze voldoen aan de
volgende voorwaarden:

- in de buitenranden zijn geen inspringende hoeken aanwezig ;

- ten minste een deel van het oplegvlak ligt verticaal onder de oplegknoop in het
vakwerk (zie figuur 5.4.1.1) of komt overeen met D.4(2)

- de hoogte van het vakwerk is groter dan 0,15 maal de overspanning en 10 maal de
maximale hoogte van een randstaaf.

(2) De normaalkrachten in de onderdelen behoren te worden bepaald onder de aanname dat
iedere knoop scharnierend is.

(3) De buigende momenten in onderdelen die slechts een veld bestaan behoren eveneens te
worden bepaald op basis van scharnierende eindknopen. Buigende momenten in een
onderdeel dat doorloopt over meer velden behoren te worden bepaald alsof het een ligger
over meer steunpunten betreft. Het effect van de vervormingen van de steunpunten en de
rotatiestijfheid in de verbindingen behoort in rekening te worden gebracht door een
reductie van de buigende momenten in de knopen met 10%. De gereduceerde momenten
in de knooppunten behoren te worden gebruikt voor de berekening van de momenten in
de velden.
















5.4.1.4 Toetsing van de sterkte van de onderdelen

(1) Bij op druk belaste elementen geldt in het algemeen dat voor de controle van de sterkte in
het vlak de afstand tussen twee momentennulpunten als effectieve kolomlengte behoort te
worden gebruikt.
Blz. 64 bis

5.4.1.4
(2) A

Bij vakwerken opgebouwd uit driehoeken is de kniklengte gelijk aan de veldlengte
- bij onderdelen die n veld lang zijn zonder speciale stijve eindknopen, (geval van een
spantbeen opgebouwd uit verschillende stukken)
- bij doorgaande onderdelen zonder zijdelingse belasting (geval van een spantbeen uit een
stuk).

(3) A De kniklengte bij knik loodrecht op het spantvlak is gelijk aan de afstand tussen de knopen
die niet loodrecht op het spantvlak kunnen uitwijken doordat ze verbonden zij aan het wind-
of knikverband

(3) C Onder zijdelingse belasting verstaat men een belasting in het spantvlak die tussen de knopen
aangrijpt.






















(4) C Onder een belasting uit-het-vlak verstaat men een belasting loodrecht op het spantvlak.



5.4.2
(1) C

Bij kleine constructies (bij voorbeeld huizen), neemt men aan dat de bebording een
windverband vormt als :
De afmetingen kleiner zijn dan 8 m
les spantbenen doorlopend zijn
de vernageling van de panelen op de spanten gebeurt met nagels om de 30cm binnen de
panelen en om de 15 cm op de randen van de panelen .
Blz. 64
ENV 1995-1-1:1993



(2) Voor vakwerken die zijn opgebouwd uit driehoeken, behoort als de effectieve
kolomlengte de veldlengte te worden aangehouden voor :

- onderdelen die slechts een veld lang zijn zonder speciale stijve eindknopen,
en
- doorgaande onderdelen zonder zijdelingse belasting.

(3) Wanneer een vereenvoudigde berekening wordt uitgevoerd, mogen de volgende
effectieve kolomlengtes worden aangehouden (zie figuur 5.4.1.4):

- voor doorgaande liggers met een zijdelingse belasting maar zonder significante
momenten aan de uiteinden :

- in een eindveld: 0,8 maal de veldlengte ;
- in een tussenliggend veld: 0,6 maal de veldlengte ;
- bij een knoop: 0,6 maal de grootste aangesloten veldlengte ;

- voor doorgaande liggers met een bovenbelasting en significante momenten aan de
uiteinden :

- bij het liggereinde met het moment: 0 (d.w.z. geen kolomeffect);
- in het voorlaatste veld: 1,0 maal de veldlengte;
- overige velden en knopen: zoals hiervoor beschreven.

Voor de toetsing van de sterkte van onderdelen belast op druk en verbindingen, moeten
de berekende normaalkrachten worden verhoogd met 10%.




Figuur 5.4.1.4 Effectieve kolomlengtes

P(4) Een toetsing op kipstabiliteit (uit-het-vlak) moet eveneens worden uitgevoerd.

5.4.1.5 Vakwerken met hechtplaten

Aanvullende regels voor vakwerken met hechtplaten zijn gegeven in bijlage D.

5.4.2 Dak- en vloerschijven

P(1) Deze paragraaf heeft betrekking op de schuifsterkte in het vlak, bij windbelasting, van
horizontale schijven, zoals vloeren of daken, opgebouwd uit houtachtige plaatmaterialen
die met mechanische verbindingsmiddelen aan een houten frame zijn bevestigd.
a) geen significante eindmomenten b) significante eindmomenten


Blz. 65
ENV 1995-1-1:1993



(2) De draagkracht van verbindingsmiddelen bij de plaatranden mag worden verhoogd met
een factor 1,2 ten opzichte van de waarden gegeven in hoofdstuk 6.

(3) Voor schijven met een uniform verdeelde belasting ( zie figuur 5.4.2) mag de volgende
vereenvoudigde berekening worden uitgevoerd, mits :

- de overspanning l ligt tussen 2 b en 6 b, waarin b de breedte van de schijf is ;
- de kritische uiterste grenstoestand het bezwijken van de verbindingsmiddelen (en
niet van de panelen) is, en
- de panelen zijn bevestigd overeenkomstig de regels voor de detaillering van
hoofdstuk 7.




Figuur 5.4.2 Belasting op de schijf en verbanden tussen de samenstellende platen


(4) Tenzij een gedetailleerde berekening wordt uitgevoerd, behoren de randliggers in staat te
zijn het maximum buigend moment in de schijf op te nemen.

(5) De dwarskrachten in de schijf mogen als uniform verdeeld over de breedte van de schijf
worden aangenomen.

(6) Indien de panelen versprongen worden aangebracht, (zie figuur 5.4.2), mogen de
nagelafstanden langs de onderbroken paneelranden worden verhoogd met een factor 1,5
(tot een maximum van 150 mm) zonder reductie van de draagkracht.

5.4.3 Wandschijven

P(1) Deze paragraaf heeft betrekking op de afschuifsterkte in het vlak van uitkragende
wandschijven. De schijven bestaan uit platen van houtachtige plaatmaterialen die met
mechanische verbindingsmiddelen aaneen of twee zijden van een houten frame zijn
bevestigd.

(2) De draagkracht R
k
(de afschuifsterkte in het vlak) bij een belasting die aangrijpt op de
bovenzijde van een uitkragend paneel dat niet verticaal omhoog kan verplaatsen (door
een bovenbelasting of door verankering) behoort te worden bepaald door:

- berekeningen,of
- het beproeven van een prototype van de constructie volgens prEN 594.
randligger
Onderbroken
plaatrand
plaatverbanden

Blz. 66 bis











(4) V De rekenwaarde van de afschuifsterkte in het vlak F
v,d
behoort als volgt te worden berekend
:

,
_


i
2
1
i
d
1
d v,
b
b
R
s
b
F
waarin :
R
d
, is de rekenwaarde van de schuifsterkte per verbindingsmiddel ;
b
1
, is de breedte van de breedste plaat ;
b
i
, is de breedte van de overige platen (b
2
,, b
3
, ...)
s, is de afstand tussen de verbindingsmiddelen.

De rekenwaarde van de draagkracht van de verbindingsmiddelen langs de randen van de
panelen mag worden verhoogd met een factor 1,2 ten opzichte van de in hoofdstuk 6
gegeven waarden.

Blz. 66
ENV 1995-1-1:1993



(3) Voor de berekening van een wandpaneel dat bestaat uit platen die aan een zijde van een
houten frame zijn bevestigd (zie figuur 5.4.3a), mag de volgende vereenvoudigde
berekening worden gebruikt, mits :

- er geen openingen met een oppervlakte groter dan 200 mm 200 mm zijn ;
- de afstand tussen de verbindingsmiddelen langs de omtrek van iedere plaat
constant is ;
- b h/4.

(4) De rekenwaarde van de afschuifsterkte in het vlak F
v,d
behoort als volgt te worden
berekend:

F
v,d
= b
1
/ s F
f,d
( b
i
/ b
1
)
2
(5.4.3a)

waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

F
f,d
is de rekenwaarde van de schuifsterkte per verbindingsmiddel ;

b
1
is de breedte van de breedste plaat ;

b
i
is de breedte van de overige platen ( b
2
, b
3
,...)

s is de afstand tussen de verbindingsmiddelen.

De rekenwaarde van de draagkracht van de verbindingsmiddelen langs de randen van de
panelen mag worden verhoogd met een factor 1,2 ten opzichte van de in hoofdstuk 6
gegeven waarden.

(5) Indien aan beide zijden van het frame platen zijn aangebracht van hetzelfde type en met
dezelfde dikte, mag de draagkracht worden gelijkgesteld aan de som van de berekende
bijdragen. Indien de platen of de verbindingsmiddelen verschillen, behoort slechts de
helft van de draagkracht van de zwakste zijde in rekening te worden gebracht.

(6) De drukstaven behoren te worden berekend op een kracht

0,67 F
v,d
h/b bij platen aan twee zijden (5.4.3b)
F
d
=
0,75 F
v,d
h/b bij platen aan n zijde (5.4.3c)


(7) De trekstaven behoren direct aan de onderliggende constructie te worden verankerd, en
worden ontworpen op een kracht F
d
, waarbij:

F
d
= F
v,d
h/b (5.4.3d)

(8) Indien individuele platen in de schijf deur- of raamopeningen bevatten, mogen deze
platen niet worden meegenomen in de bepaling van de afschuifsterkte in het vlak van de
schijf. Elke groep van naast elkaar liggende hele platen moet worden verankerd als een
individueel wandpaneel zoals weergegeven in figuur 5.4.3c.
Blz. 67 bis
















(9) I Wanneer b 0.5 b
test
zijn de testresultaten niet extrapoleerbaar (vergelijking (5.4.3.h) niet
geldig).

































(1) C Dit doet zich voor bij de studie van een driescharnierboog met een parabolische vorm.
Zuiver theoretisch zijn de momenten onder eenparig verdeelde last gelijk aan nul, er treden
dus enkel normaalkrachten op. Dit is een zeer optimistische voorstelling en het is raadzaam
met de geometrische imperfecties rekening te houden die aanleiding geven tot
excentriciteiten en buigmomenten.

Blz. 67
ENV 1995-1-1:1993





Figuur 5.4.3 a et b Voorbeeld van de opbouw van een paneel (a) en een proefpaneel (b)

(9) Indien de karakteristieke sterkte van een proefpaneel (zie figuur 5.4.3b) is bepaald,
worden de sterkte voor een paneel dat op dezelfde wijze is opgebouwd, maar een andere
hoogte h en breedte b heeft, gegeven door:

R
u,k
= k
b
k
h
R
test,k
(5.4.3e)

waarin
b/ b
test
voor b b
test
(5.4.3f)

k
b
= (b / b
test
) voor 0,5 b
test
b b
test
(5.4.3g)

0 voor b 0,5 b
test
(5.4.3h)
en

(h
test
/ h ) voor h h
test
(5.4.3j)
k
h
=
1 voor h < h
test
(5.4.3k)



Figuur 5.4.3c Samenstelling van wandpanelen met openingen

5.4.4 Raamwerken

P(1) De spanningen die worden veroorzaakt door geometrische en constructieve
onvolkomenheden d.w.z. afwijkingen tussen de geometrische as en de zwaartelijn van
een doorsnede door bijv. inhomogeen materiaal en de veroorzaakte doorbuiging moeten
in rekening worden gebracht.
verankeringspunten
a) opbouw van een paneel
b) proefpaneel
Blz. 68 bis

(2) C Deze analyse is enkel nodig als de vorm zelf van de structuur aanleiding kan geven tot
veranderingen in de spanningsverdeling ( grote vervormingen,.) De theorie hiernaast
steunt op de verandering van de oorspronkelijke geometrie om dit fenomeen in rekening te
nemen.

Blz. 68
ENV 1995-1-1:1993



(2) Dit mag worden gedaan door het uitvoeren van een tweede-orde lineair-elastische
berekening met de volgende aannamen :

- de onvolkomenheid van de constructie behoort overeen te komen met een initile
vervorming die ongeveer gelijk is aan het desbetreffende vervormingspatroon. Het
betreffende vervormingspatroon wordt bepaald door de constructie of onderdelen
daarvan te beschouwen met een scheefstand onder een hoek , tezamen met een
initile sinusvormige uitbuiging tussen de knopen van de constructie. De initile
sinusvormige uitbuiging heeft een maximale excentriciteit e.

- de waarde van de hoek , in radialen behoort minimaal gelijk te zijn aan:

= 0,005 voor h 5m (5.4.4a)

= 0,005 ( ) h / 5 voor h > 5m (5.4.4b)

waarin h de hoogte is van de constructie of de lengte van het onderdeel, in m.

- de waarde van e behoort minimaal gelijk te zijn aan:

e = 0,003 l (5.4.4c)

- de doorbuiging behoort te worden berekend met een waarde E van :

E = E
0,05
f
m,d
/ f
m,k
(5.4.4d)

In figuur 5.4.4 zijn voorbeelden gegeven van aan te nemen initile doorbuigingen.




Figuur 5.4.4 Voorbeelden van aan te nemen initile doorbuigingen voor een
raamwerk (a), overeenkomend met een symmetrische belasting (b)
en een asymmetrische belasting (c).


Blz. 69
ENV 1995-1-1:1993



5.4.5 Stabiliteitsverbanden

5.4.5.1 Algemeen

P(1) Constructies die niet voldoende stijf zijn moeten worden gesteund om zijdelings
instabiliteit of extreme doorbuigingen te voorkomen.

P(2) Er moet rekening zijn gehouden met de spanningen die worden veroorzaakt door
geometrische en constructieve onvolkomenheden, en door optredende doorbuigingen
(inclusief de bijdragen van vervormingen van verbindingen).

P(3) De krachten op het stabiliteitsverband moeten worden bepaald uitgaande van de meest
ongunstigste combinatie van constructieve onvolkomenheden en optredende
doorbuigingen.

5.4.5.2 Enkelvoudige constructie-onderdelen belast op druk

(1) De initile uitbuiging van onderdelen die op druk worden belast en die zijdelings zijn
gesteund op onderlinge afstand a (zie figuur 5.4.5.2) behoort niet groter te zijn dan a/500
voor gelamineerd hout en a/300 voor andere onderdelen.

(2) Iedere zijdelingse steun behoort een minimale veerstijfheid C te hebben van :

C = k
s
E I / a (5.4.5.2a)

waarin

E = E
0,05
f
m,d
/ f
m,k
(5.4.5.2b)

k
s
= 2 (1 + cos / m) (5.4.5.2c)

en m is het aantal velden met een lengte a.

(3) Voor een rekenwaarde van de stabiliteitskracht F
d
op iedere steun behoort minimaal de
volgende waarde te worden aangehouden :

F
d
= N
d
/ 50 voor gezaagd hout (5.4.5.2d)

F
d
= N
d
/ 80 voor gelamineerd hout (5.4.5.2e)

waarin N
d
de gemiddelde rekenwaarde van de drukkracht in het element is.











Figuur 5.4.5.2 Voorbeelden van enkelvoudige op druk belaste onderdelen
gestabiliseerd door zijdelingse steunen.
Blz. 70 bis










5.4.5.3
(1) C

In de formule (5.4.5.3a), wordt de gemiddelde axiale druk N
d
bepaald met :
h
M
. ) k - (1 + N = N
crit d

k
crit
is gegeven in pagina 53 (punt 5.2.2 (4)).


Blz. 70
ENV 1995-1-1:1993



(4) De rekenwaarde van de stabiliteitskracht F
d
voor de drukzone van een rechthoekige ligger
moet worden bepaald volgens 5.4.5.2(3), waarin :

N
d
= ( 1 k
crit
) M
d
/ h (5.4.5.2f)

De waarde van k
crit
moet worden bepaald met 5.2.2(4) voor de ligger zonder steunen. M
d

is de grootste rekenwaarde van het moment in de ligger met hoogte h.

5.4.5.3 Stabiliteit van ligger- of vakwerksystemen

(1) Voor n evenwijdige onderdelen die zijdelings moeten worden gesteund op tussenknopen
A,B enz. (zie figuur 5.4.5.3) behoort een stabiliteitssysteem te worden aangebracht dat,
naast de effecten door een horizontale belasting, in staat moet zijn een belasting per
eenheid van lengte q op te nemen, waarin


l 30
N n
k q
d
l d
(5.4.5.3a)

en waarin :

1 (5.4.5.3b)
k
l
= min

l
15
(5.4.5.3c)

N
d
is de gemiddelde axiale drukkracht in het onderdeel met totale lengte l m.

(2) De horizontale vervorming in het midden van de overspanning door uitsluitend q
d

behoort niet groter te zijn dan l / 700.

(3) De horizontale vervorming in het midden van de overspanning door q
d
en enige andere
belasting behoort niet groter te zijn dan l / 500.




Figuur 5.4.5.3 Ligger- of vakwerksysteem met zijdelingse steunen
n onderdelen


s
t
a
b
i
l
i
t
e
i
t
s
v
e
r
b
a
n
d

E
x
t
e
r
n
e

b
e
l
a
s
t
i
n
g

o
p

h
e
t

s
t
a
b
i
l
i
t
e
i
t
s
v
e
r
b
a
n
d



Blz. 71
ENV 1995-1-1:1993



5.4.6 Belastingsspreiding

(1) Indien een constructie is opgebouwd uit meer gelijke onderdelen die op gelijke afstand
zijn aangebracht en zijdelings zijn verbonden door een doorlopend
belastingsspreidingsysteem, mag de rekenwaarde van de sterkte van het onderdeel
worden vermenigvuldigd met een belastingsspreidingsfactor k
ls
.

(2) Tenzij een uitgebreidere berekening is gemaakt, mag voor de constructies en de
belastinsspreidingsystemen een waarde k
ls
= 1,1 worden aangehouden zoals gegeven in
tabel 5.4.6, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:

- het belastingsspreidingsysteem is ontworpen om de permanente en veranderlijke
belastingen op te nemen;

- ieder onderdeel van het belastingsspreidingsysteem loopt door over ten minste twee
overspanningen en eventuele verbindingen zijn versprongen aangebracht.


Tabel 5.4.6 Beschrijving van constructies en belastingsspreidingsystemen
Constructie belastingsspreidingsysteem
Plat dak of vloerliggers
(maximale overspanning 6 m )
Planken of beplating
Dakspanten
(maximale overspanning 12 m )
Panlatten, gordingen of beplating
Vakwerken
(maximale overspanning 6 m )
Panlatten of beplating
Stijlen
(maximale hoogte 4 m )
Boven- en onderregels, beplating aan ten
minste een zijde


Blz. 72 bis





















(8) V Tenzij voor de situatie van figuur 6.1 een uitgebreidere berekening is gemaakt, behoort te
worden aangetoond dat aan de volgende voorwaarde is voldaan :

V
d
= max(V
1
+ V
2
)
3
t b f 2
e d v,

voor b
e
> 0,7 h

Waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

F
d
, de rekenwaarde van de kracht die door het verbindingselement worden overgedragen
met een helling ten overstaan van de houtvezel,
f
v,d
, de afschuifweerstand,
b
e
, de afstand belaste rand tot het verst verwijderd verbindingsmiddel,
V
d
de maximale afschuifkracht in het verbindingselement
(V
1
+V
2
= F . sin ),
M
d
de rekenwaarde van het buigmoment ter plaatse van de verbinding,
t dikte van het horizontaal element,
h hoogte van het horizontaal element.

M
d
M
d

V
d,1

V
d,2

b
e

F
d




Figuur 6.1. Kracht in een verbinding onder een hoek met de vezel

Voor b
e
0.7 . h, zie STEP 1 - formules (2) en (3) bladzijde C2/4


Blz. 72
ENV 1995-1-1:1993



6 VERBINDINGEN

6.1 Algemeen

P(1) Tenzij in het onderstaande ontwerpregels zijn gegeven, moeten de karakteristieke
draagkracht- en vervormingskarakteristiek van verbindingsmiddelen zijn bepaald op basis
van proeven die zijn uitgevoerd volgens EN 26891, EN 28970, en de betreffende
Europese beproevingsnormen. In het geval dat zowel druk- als trekproeven zijn
beschreven moet de trekproef worden gebruikt.

P(2) Er moet rekening mee worden gehouden dat de karakteristieke draagkracht van een
verbinding met meer verbindingsmiddelen over het algemeen minder is dan de som van
de individuele draagkrachten.

P(3) Indien de belasting in een verbinding wordt overgedragen door meer dan een type, moet
rekening worden gehouden met het effect van de verschillende eigenschappen van de
verbindingsmiddelen
15)
.

P(4) Er moet rekening mee worden gehouden dat de karakteristieke draagkracht van de
verbinding zal verminderen als de verbinding vaak wordt blootgesteld aan langeduur- en
middellangeduurbelastingen die van teken wisselen.

(5) Het effect van langeduur- en middellangeduurbelastingen in de aangesloten onderdelen
die wisselen tussen trek F
t
en druk F
c
behoren in rekening te worden gebracht door de
verbinding te ontwerpen op ( F
t,d
+ 0,5 F
c,d
) en ( F
c,d
+ 0,5 F
t,d
).

P(6) De plaats en de afmetingen van de verbindingsmiddelen in een verbinding, en de tussen-,
rand- en eindafstanden moeten zo worden gekozen dat de verwachte sterktes kunnen
worden verkregen.

P(7) Indien de kracht in de verbinding een hoek met de vezel maakt moet de invloed van
spanningen loodrecht op de vezel in rekening worden gebracht..

(8) Tenzij voor de situatie van figuur 6.1 een uitgebreidere berekening is gemaakt, behoort te
worden aangetoond dat aan de volgende voorwaarde is voldaan :

V
d
2 f
v,d
b
e
t / 3 (6.1a)

Vooropgesteld dat b
e
> 0,5 h.

De symbolen zijn als volgt gedefinieerd:

V
d
is de rekenwaarde van de dwarskracht veroorzaakt in het onderdeel met dikte t door de
verbindingsmiddelen (V
1
+ V
2
= F sin );
b
e
is de afstand tussen de belaste rand en het verst verwijderde verbindingsmiddel ;
is de hoek tussen de kracht F en de vezelrichting.

15)
Lijm en mechanische verbindingsmiddelen hebben onderling zeer verschillende
stijfheidseigenschappen en mogen niet worden beschouwd als samenwerkend.


Blz. 73
ENV 1995-1-1:1993






Figuur 6.1 Kracht in een verbinding onder een hoek met de vezel


(9) Voor stiftvormige verbindingsmiddelen behoort in de uiterste grenstoestand voor de
verschuivingsmodulus K
u
per snede en per verbindingsmiddel te worden aangehouden:

K
u
= 2 K
ser
/ 3 (6.1b)

Waarden voor K
ser
zijn gegeven in tabel 4.2.

6.2 Draagkracht van op afschuiving belaste stiftvormige verbindingsmiddelen

6.2.1 Hout-op-hout en plaatmateriaal-op-hout verbindingen

(1) Voor de rekenwaarde van de draagkracht per snede per verbindingsmiddel, voor
verbindingen hout-op-hout en plaatmateriaal-op-hout met verbindingsmiddelen volgens
6.3 tot 6.7 geldt de laagste waarde van de volgende vergelijkingen:

Ontwerprekenwaarden voor de draagkracht van de verbindingsmiddelen die enkelsnedig
worden belast :

d t f
1 d k,1,
(6.2.1a)

d t f
2 d k,1,
(6.2.1b)


1
1
1
]
1

,
_

,
_

+
1
1
]
1

,
_

+ + +
+
1
2
2
1
2 3
2
1
2
1
2 2
1 d k,1,
t
t
1
t
t
t
t
t
t
1 2
1
d t f

(6.2.1c)

R
d
= min ( )
( )
1
1
]
1

+
+ +
+


2
1 d k,1,
d y, 1 d k,1,
t d f
M 2 4
1 2
2
d t f
1 , 1 (6.2.1d)

( )
( )
1
1
]
1

+
+ +
+


2
2 d k,1,
d y,
2
2 d k,1,
t d f
M 2 1 4
1 2
2 1
d t f
1 , 1 (6.2.1e)

d f M 2
1
2
1 , 1
d k,1, d y,

+
(6.2.1f)



Blz. 74 bis


























(2) C In dit geval is
m
gelijk aan 1.3 (hout of houtachtige materialen fundamentele combinatie)
of 1,0 (bijzondere combinatie).









(3) C In dit geval is
m
gelijk aan 1.1 (staal in een verbinding fundamentele combinatie) of 1.0
(bijzondere combinatie).

(4) C De norm EN 383 geeft de beproevingsmethode voor de bepaling van de stuikdruk van een
stiftachtige verbinding geplaatst in hout, gelijmd gelamelleerd hout of in een houtachtige
paneel. De stuikdruk is de gemiddelde spanning die onder het verbindingselement optreedt
bij een belasting waarbij een maximale vervorming voorkomt Met behulp van het kracht-
verplaatsingdiagram wordt de stuikdruk bepaald met :
t d
F
f
max
h


met :
F
max
, kracht waarbij breuk optreedt of de kracht waarbij de de verplaatsing van de stift in
het hout 5mm bereikt [N]
d, diameter van de stiftachtige verbinding [mm]
t, dikte van het proefstuk in hout, gelijmd gelamelleerd hout of van het houtachtige
paneel [mm].

Blz. 74
ENV 1995-1-1:1993



Ontwerprekenwaarden voor de draagkracht van de verbindingsmiddelen die dubbelsnedig
worden belast :

d t f
1 d k,1,
(6.2.1g)
d t f 5 , 0
2 d k,1,
(6.2.1h)
R
d
= min ( )
( )
1
1
]
1

+
+ +
+


2
1 d k,1,
d y, 1 d k,1,
t d f
M 2 4
1 2
2
d t f
1 , 1 (6.2.1j)
d f M 2
1
2
1 , 1
d k,1, d y,

+
(6.2.1k)

De verschillende bezwijkvormen zijn in figuur 6.2.1 weergegeven. De symbolen zijn als
volgt gedefinieerd :

t
1
en t
2
is de dikte van het hout of plaatmateriaal of de hechtlengte
(zie ook 6.3 6.7),
f
h,1,d
( f
h,2,d
) is de rekenwaarde van de stuiksterkte in t
1
(t
2
),
= f
h,2,d
/ f
h,1,d

d is de middellijn van het verbindingsmiddel;
M
y,d
is de rekenwaarde van het vloeimoment van het verbindingsmiddel.

(2) De rekenwaarden van de stuiksterkte, respectievelijk f
h,1,d
en f
h,2,d
, moeten zijn berekend
als :

M
k h,1, 1 mod,
d h,1,
f
f

k
(6.2.1l)

M
k h,2, 2 mod,
d h,2,
f
f

k
(6.2.1m)
Waarden voor de modificatiefactor k
mod
zijn gegeven in tabel 3.1.7, en de waarden van

M
zijn gegeven in tabel 2.3.3.2.

(3) De rekenwaarde van het vloeimoment van het verbindingsmiddel M
y,d
moet worden
berekend als:

M
k y,
d y,
M
M

(6.2.1n)

M
is gegeven in tabel 2.3.3.2.

(4) Tenzij in de volgende paragrafen gegeven, behoort de stuiksterkte f
h
te worden bepaald
volgens prEN 383 en bijlage A.


Blz. 75
ENV 1995-1-1:1993






(De letters komen overeen met die in de betreffende formules)

Figuur 6.2.1 Bezwijkmechanismen voor verbindingen van hout en plaatmaterialen


(5) Tenzij in de volgende paragrafen gegeven, behoort het vloeimoment M
y
te worden
bepaald volgens prEN 409 en bijlage A.

6.2.2 Staal-op-houtverbindingen

(1) Voor de rekenwaarde van de draagkracht van enkelsnedige staal-op-hout verbindingen
per snede per verbindingsmiddel met een dunne staalplaat (d.w.z. voor t = 0,5d waarin t
de dikte is) behoort de laagste waarde volgens de volgende vergelijkingen te worden
aangehouden:

d t f 4 , 0
1 d k,1,
(6.2.2a)
R
d
= min
d f M 2 1 , 1
d k,1, d y,
(6.2.2b)

Voor een dikke staalplaat (d.w.z. voor t d) behoort voor de rekenwaarde van de
draagkracht de laagste waarde volgens de volgende vergelijkingen te worden
aangehouden :


1
1
]
1

+ 1
t d f
M 4
2 d t f 1 , 1
2
1 d k,1,
d y,
1 d k,1,
(6.2.2c)
R
d
= min
d f M 2 5 , 1
d k,1, d y,
(6.2.2d)

Voor 0,5 d < t < d mag lineair worden genterpoleerd.

De symbolen zijn in 6.2.1 (1) gedefinieerd, en de bezwijkvormen in figuur 6.2.2 a-d
weergegeven.
Enkelsnedig
Dubbelsnedig


Blz. 76
ENV 1995-1-1:1993



(2) Voor de rekenwaarde van de draagkracht per snede per verbindingsmiddel van
dubbelsnedige staal-op-hout verbindingen waarvan het middelste onderdeel van staal is,
behoort de laagste waarde van de volgende vergelijkingen et worden aangehouden:

d t f 1 , 1
1 d k,1,
(6.2.2e)

R
d
= min
1
1
]
1

+ 1
t d f
M 4
2 d t f 1 , 1
2
1 d k,1,
d y,
1 d k,1,
(6.2.2f)

d f M 2 5 , 1
d k,1, d y,
(6.2.2g)

waarbij de symbolen in 6.2.1 (1) zijn gedefinieerd en de bezwijkvormen in
figuur 6.2.2 e-g zijn weergegeven.

(3) Voor de rekenwaarde van de draagkracht per snede per verbindingsmiddel van
dubbelsnedige staal-op-hout verbindingen waarvan de beide buitenste onderdelen van dun
staal zijn, behoort de laagste waarde van de volgende vergelijkingen te worden
gehanteerd:

d t f 5 , 0
2 d k,2,
(6.2.2h)
R
d
= min
d f M 2 1 , 1
d k,2, d y,
(6.2.2j)

(4) Voor dikke staalplaten (d.w.z. voor t = d) behoort voor de rekenwaarde van de
draagkracht de laagste waarde van de volgende vergelijkingen te worden gehanteerd:

d t f 5 , 0
2 d k,2,
(6.2.2h)
R
d
= min
d f M 2 1 , 1
d k,2, d y,
(6.2.2l)

Voor 0,5 d < t
1
< d mag lineair worden genterpoleerd.

De symbolen zijn in 6.2.1. (1) gedefinieerd en de bezwijkvormen in figuur 6.2.2.h-l
weergegeven.
















Figuur 6.2.2 Bezijkvormen van staal-op-houtverbindingen
Blz. 77 bis




6.2.3
(1) C

Voorbeeld: voor de hieronder getekende meersnedige verbinding wordt de totale
draagkracht bekomen door de draagkrachten van de bubbelsnedige verbindingen op te
tellen, nl. 1-2-1, 2-3-2 en 3-2-3, met in acht name van de compatibiliteit van elke
breukmode.








6.3.1.2
(1) C

Bij het nagelen van zwaar hout is er kans op splijten. Dit kan beperkt wordren door voor te
boren. De nagels worden in een voorgeboord gat genageld met een diameter kleiner dan of
gelijk aan 0,8 maal de diameter van de nagel. Dit verhoogd de afschuifbelasting op de nagel,
laat een meer compacte verbinding toe daar de tussenafstanden en de rand- en eindafstanden
kleiner worden en verminderd de glijding in de verbinding.


Blz. 77
ENV 1995-1-1:1993



(5) De sterkte van de staalplaat behoort eveneens te worden gecontroleerd.

6.2.3 Verbindingen met meer sneden

(1) In verbindingen met meer sneden behoort de totale draagkracht te worden bepaald door
de som te berekenen van de laagste draagkracht per snede. Iedere snede moet worden
beschouwd als een deel van een serie verbindingen van drie onderdelen.


6.3 Genagelde verbindingen

6.3.1 Op afschuiving belaste nagels

6.3.1.1 Algemeen

(1) De regels van 6.2 zijn van toepassing, waarbij de symbolen als volgt zijn gedefinieerd:

t
1
is (voor tweesnedige verbindingen) de kleinste waarde van de dikte van het hout
onder de nagelkop en de hechtlengte van de nagel ter plaatse van de punt (zie
figuur 6.3.1.1);

t
2
is bij enkelsnedige verbindingen de hechtlengte van de nagel aan de zijde van de
punt en bij tweesnedige verbindingen de dikte van het middenhout.

(2) Voor vierkante nagels behoort voor d de dikte te worden genomen.




Figuur 6.3.1.1a en b Definitie van t
1
en t
2
.


6.3.1.2 Genagelde hout-op-hout verbindingen

(1) Voor de karakteristieke stuiksterkte voor nagels met een middellijn tot 8 mm behoren,
voor alle hoeken met de vezel, de volgende waarden te worden gebruikt:

zonder voorgeboorde gaten: f
h,k
= 0,082
k
d
-0,3
N/mm (6.3.1.2a)

met voorgeboorde gaten: f
h,k
= 0,082 (1 - 0,01 d)
k
N/mm (6.3.1.2b)

met
k
in kg/m en d in mm.
(b) Dubbelsnedige verbinding (a) Enkelsnedige verbinding


Blz. 78
ENV 1995-1-1:1993




(2) Voor gewone gladde stalen draadnagels met een minimum treksterkte van de draad
waarvan de nagels zijn gemaakt van 600 N/mm
2
, behoren de volgende karakteristieke
waarden voor het vloeimoment te worden gebruikt

My,k = 180 d
2,6
(N.mm) voor ronde nagels (6.3.1.2c)

My,k = 270 d
2,6
(N.mm) voor vierkante nagels (6.3.1.2d)

met d in mm.

(3) In hout met een karakteristieke volumieke massa van 500 kg/m of meer behoren nagels
te worden voorgeboord.

(4) Voor gladde nagels behoort de hechtlengte minimaal 8 d te zijn.

(5) Voor ringnagels en getordeerde draadnagels behoort de minimale hechtlengte 6 d te zijn.

(6) Per verbinding behoren minimaal twee nagels te zijn aangebracht.

(7) Nagels in kops hout worden niet geacht krachten over te dragen. Indien nagels in
secundaire constructies nagels in kops hout worden gebruikt, bijv. voor aftimmeringen op
vakwerken, behoort voor de rekenwaarde 1/3 van de waarde voor een normale
nagelverbinding te worden gehanteerd.

(8) In tabel 6.3.1.2 zijn minimale tussen- en randafstanden gegeven en de definities in figuur
6.3.1.2a.

(9) Voor nagels in voorgeboorde gaten mag de tussenafstand a
1
worden gereduceerd tot een
minimum van 4d, indien de stuiksterkte is gereduceerd met de factor:

( ) d cos 3 4 a
1
+




Figuur 6.3.1.2a Rand- en tussenafstanden van verbindingsmiddelen- Definities.
Onbelast eind Belaste rand
Onbelaste rand Belast eind
Waarin de hoek tussen de kracht en de vezelrichting is.
Rand- en eindafstanden:
Tussenafstanden evenwijdig aan en loodrecht op de vezel


Blz. 79
ENV 1995-1-1:1993




(10) Indien (t
2
-l) groter is dan 4d (zie figuur 6.3.1.2b) mogen niet voorgeboorde nagels die
van twee zijden zijn ingebracht elkaar in het middenhout overlappen.




Figuur 6.3.1.2b Overlappende nagels.

(11) Voor niet voorgeboorde nagels behoren de houten onderdelen een minimale dikte t te
hebben, waarbij :

7 d (6.3.1.2e)
t = max.
(13 d 30 )
k
/ 400 (6.3.1.2f)

waarin
k.
in kg/m en d in mm.



Tabel 6.3.1.2 Minimale waarden voor tussen-, eind- en randafstanden van nagels
Niet voorgeboord Tussen- eind- en
randafstanden
(zie fig 6.3.1.2a)

k
420
kg/m
420<
k
< 500
kg/m
Voorgeboord
d < 5 mm:
(5 + 5 cos ) d
a
1

d 5 mm:
(5 + 7 cos ) d
(7 + 8 cos ) d (4 + 3 cos ) d*
a
2
5 d 7 d (3 + sin ) d
a
3,t
(belast eind) (10 + 5 cos ) d (15 + 5 cos ) d (7 + 5 cos ) d
a
3,c
(onbelast eind) 10 d 15 d 7 d
a
4,t
(belaste rand) (5 + 5 sin ) d (7 + 5 sin ) d (3 + 4 sin ) d
a
4,c
(onbelaste rand) 5 d 7 d 3 d
De minimumafstand a
1
mag worden gereduceerd tot 4d, indien de stuiksterhte f
h,k
is
gereduceerd met de factor :
( ) d cos 3 4 a
1
+



Blz. 80
ENV 1995-1-1:1993



6.3.1.3 Genagelde plaatmateriaal-op-hout verbindingen

(1) De regels voor hout-op-houtverbindingen zijn van toepassing. Rekenwaarden van de
stuiksterkten behoren te worden berekend zoals in 6.2.1(2) gegeven.

(2) Voor triplex behoren de volgende waarden voor de karakteristieke stuiksterkten te
worden gebruikt:
f
h,k
= 0,11
k
d
-0,3
(N/mm) (6.3.1.3a)
met
k
in kg/m en d in mm.

(3) Voor hardboard behoren de volgende waarden van de karakteristieke stuiksterkte te
worden gebruikt :
f
h,k
= 30 d
-0,3
t
-0,6
(N/mm) (6.3.1.3b)
met d en t in mm ( t = dikte van het hardboard ).

(4) De regels zijn geldig voor normale nagels met een minimale middellijn van de kop van
2d. Voor kleinere koppen behoort de rekenwaarde van de draagkracht te worden
gereduceerd. Voor bijvoorbeeld verzonken en ovale nagelkoppen behoort de rekenwaarde
van de draagkracht in spaanplaat en vezelplaat met de helft te worden gereduceerd.

(5) De minimum tussenafstanden voor triplex in triplex-op-houtverbindingen zijn gelijk aan
de waarden gegeven in tabel 6.3.1.2, vermenigvuldigd met een factor 0,85.

(6) Voor de minimum afstanden in het triplex behoort 3d voor een onbelaste rand (of eind) en
(3+4sin)d voor een belaste rand (of eind) te worden aangehouden.

6.3.1.4 Genagelde staal-op-hout verbindingen

(1) De regels van 6.2.2 zijn van toepassing.

(2) De minimum nagelafstanden zijn gelijk aan de waarden gegeven in tabel 6.3.1.2,
vermenigvuldigd met een factor 0,7.

6.3.2 Op trek belaste nagels

(1) Gladde nagels die op trek belast zijn mogen niet worden toegepast voor permanente
belastingen en langeduurbelastingen.

(2) Voor de rekenwaarde van de uittreksterkte van nagels die worden toegepast loodrecht op
de vezel (zoals gegeven in figuur 6.3.2a) en voor steeknagels (zoals gegeven in figuur
6.3.2b) behoort de laagste waarde uit de vergelijkingen 6.3.2a (overeenkomend met het
uittrekken van de nagel uit het hout waarin de punt zich bevindt), 6.3.2b en c
(overeenkomend met de situatie waarbij de kop van de nagel door het hout wordt
getrokken) te worden aangehouden. Voor gladde nagels met een minimale middellijn van
2d, mag vergelijking 6.3.2b worden genegeerd.

f
1,d
d l voor alle nagels (6.3.2a)
R
d
= min. f
1,d
d h + f
2,d
d
2
voor gladde nagels (6.3.2b)
f
2,d
d
2
voor ringnagels en getordeerde nagels (6.3.2c)

Voor de hechtlengte l behoort als minimumwaarde 12 d voor gladde nagels en 8 d voor
andere nagels te worden gebruikt .


Blz. 81
ENV 1995-1-1:1993



(3) Tenzij anders vermeld in de volgende clausule zijn de parameters f
1
en f
2
te worden
berekend, onder andere, van het type nagel, de houtsoort en de houtkwaliteit (met name
de volumieke massa). Ze behoren te worden bepaald door middel van proeven
overeenkomstig de van toepassing zijnde Europese beproevingsnormen.

(4) De rekenwaarden van de parameters f
1
en f
2
behoren te worden berekend volgens
6.2.1(2).

(5) Voor gladde ronde nagels behoren de volgende karakteristieke waarden te worden
aangehouden :

f
1,k
= ( 18. 10
-6
)
k


N/mm (6.3.2d)

f
2,k
= ( 300. 10
-6
)
k
N/mm (6.3.2e)

met
k
in kg/m.

(6) Voor hout dat is aangebracht met een vochtgehalte van of nabij het
vezelverzadigingspunt, en dat naar alle waarschijnlijkheid tijdens de belasting zal drogen,
behoren de waarden van f
1,k
en f
2,k
te worden vermenigvuldigd met 2/3.

(7) Nagels in kops hout mogen niet worden geacht belasting evenwijdig aan de nagelas over
te dragen.

(8) Voor ringnagels en getordeerde draadnagels mag alleen het geprofileerde gedeelte
worden geacht belasting evenwijdig aan de nagelas over te dragen.

(9) De rand- en tussenafstanden voor evenwijdig aan de nagelas belaste nagels behoren
hetzelfde te zijn als die voor op afschuiving belaste nagels. Voor steeknagels behoort de
belaste randafstand minimaal 10 d te bedragen (zie figuur 6.3.2b).















Figuur 6.3.2a et b Kopse nagels en steeknagels.
(a) Kopse nagels
(b) Steeknagels


Blz. 82
ENV 1995-1-1:1993



6.3.3 Op trek en afschuiving belaste nagels

(1) Verbindingen die worden belast op een combinatie van een axiale kracht (F
ax
) en een
afschuifkracht (F
la
) behoren te voldoen aan de volgende voorwaarden :

voor gladde nagels :

1
R
F
R
F
d la,
d la,
d ax,
d ax,
+ (6.3.3a)

voor ringnagels of getordeerde nagels :

1
R
F
R
F
2
d la,
d la,
2
d ax,
d ax,

,
_

,
_

(6.3.3b)

waarin R
ax,d
en R
la,d
de rekenwaarden zijn van de draagkracht van de verbinding die f
alleen op trek f alleen op afschuiving wordt belast.

6.4 Geniete verbindingen

(1) De regels voor genagelde verbindingen zijn van toepassing.

(2) De rekenwaarde van de draagkracht op afschuiving mag worden beschouwd als gelijk aan
die van twee nagels, mits de rug van de niet onder een hoek groter dan 30 met de
vezelrichting van het hout is aangebracht.

(3) Indien de hoek tussen de rug van de niet en de vezelrichting van het hout gelijk is aan of
kleiner is dan 30, moet de rekenwaarde voor de draagkracht op afschuiving worden
vermenigvuldigd met een factor 0,7.

6.5 Geboute verbindingen

6.5.1 Op afschuiving belaste bouten

6.5.1.1 Algemeen

(1) De regels van 6.2 zijn van toepassing.

6.5.1.2 Geboute hout-op-hout verbindingen

(1) Voor bouten met een middellijn tot 30 mm behoren de volgende karakteristieke waarden
voor de stuiksterkte onder een hoek met de vezelrichting te worden gebruikt:


2 2
90
k h,0,
k , h,
cos sin k
f
f
+
(6.5.1.2a)

f
h,0,k
= 0,082 (1 - 0,01d)
k
N/mm (6.5.1.2b)

k
90
= 1,35 + 0,015 d voor naaldhout (6.5.1.2c)

k
90
= 0,90 + 0,015 d voor loofhout (6.5.1.2d)

waarin
k
in kg/m en d in mm.


Blz. 83
ENV 1995-1-1:1993




(2) Voor ronde stalen bouten behoort de volgende karakteristieke waarde van het
vloeimoment te worden gebruikt

M
y,k
= 0,8 f
u,k
d / 6 (6.5.1.2e)

waarin f
u,k
de karakteristieke waarde van de treksterkte is.

(3) Indien meer dan 6 bouten achter elkaar zijn geplaatst in de richting van de kracht, behoort
de draagkracht van de extra bouten te worden gereduceerd met 1/3, d.w.z. voor n bouten
is het effectieve aantal:

n
ef
= 6 + 2 ( n 6 ) / 3 (6.5.1.2f)

(4) In tabel 6.5.1.2 zijn de minimale tussen-, eind- en randafstanden gegeven. De symbolen
zijn gedefinieerd in figuur 6.3.1.2a.

Tabel 6.5.1.2 Minimale tussen-, eind- en randafstanden voor bouten
a
1
Evenwijdig aan de vezel ( ) d cos 3 4 + *
a
2
Loodrecht op de vezel 4 d
a
3,t
-90 90 7 d (maar niet minder dan 80 mm)
150 210 4 d a
3,c

90 150
210 270
( ) d sin 6 1 + (maar niet minder dan 4 d)
a
4,t
0 180 ( ) d sin 2 2 + (maar niet minder dan 3 d)
a
4,c
Alle andere waarden van 3 d
* De minimumafstand a
1
mag worden gereduceerd tot 4 d, als de stuiksterkte
f
h,0,k
is gereduceerd met de factor
( ) ( ) d cos 3 4 a1 +


6.5.1.3 Geboute plaatmateriaal-op-hout verbindingen

(1) De regels voor hout-op-hout verbindingen zijn van toepassing. Rekenwaarden van de
stuiksterkte van het plaatmateriaal behoren te worden berekend volgens 6.2.1(2).

(2) Voor triplex behoren de volgende waarde voor de karakteristieke stuiksterkte voor alle
hoeken met de vezel van het dekfineer de volgende waarde te worden gebruikt:

f
h,0,k
= 0,11 (1 - 0,01 d)
k
N/mm (6.5.1.3)

met
k
in kg/m en d in mm.


Blz. 84
ENV 1995-1-1:1993




6.5.1.4 Geboute staal-op-hout verbindingen

(1) De regels die in 6.2.2 en 6.5.1.1 zijn gegeven zijn van toepassing.

6.5.2 Op trek belaste bouten

(1)P De treksterkte van de bout en de dikte van de sluitring moeten worden gecontroleerd.

(2) De rekenwaarde van de drukspanning onder de sluitring behoort niet groter te zijn dan 1,8
f
c,90,d
.

6.6 Stiftverbindingen

(1) De regels voor op afschuiving belaste bouten zijn van toepassing, met uitzondering van
6.5.1.2(4).

(2) De minimale tussen-, eind- en randafstanden zijn gegeven in tabel 6.6a. De symbolen zijn
gedefinieerd in figuur 6.3.1.2a.

Tabel 6.6a Minimale tussen-, eind- en randafstanden voor stiften
a
1
Evenwijdig aan de vezel ( ) d cos 4 3 + *
a
2
Loodrecht op de vezel 3 d
a
3,t
-90 90 7 d (maar niet minder dan 80 mm)
90 150 a
3,c

210 270
a
3,t
sin (maar niet minder dan 3 d)

a
4,t
0 180 (2+2 sin ) d (maar niet minder dan 3 d)
a
4,c
Alle andere waarden van 3 d
* De minimumafstand mag worden gereduceerd tot 4 d, indien de stuiksterkte
f
h,0,k
is gereduceerd met de factor
( ) ( ) d cos 4 3 a
1
+




Blz. 85
ENV 1995-1-1:1993



6.7 Geschroefde verbindingen

6.7.1 Op afschuiving belaste schroeven

(1) Voor schroeven met een middellijn kleiner dan 8 mm zijn de regels van 6.3.1 van
toepassing.
Voor schroeven met een middellijn groter of gelijk aan 8 mm zijn de regels van 6.5.1 van
toepassing.
In de van toepassing zijnde formules behoort voor d de middellijn van de gladde schacht
van de schroef in mm te worden gehanteerd. Voor de berekening van de waarde van M
y,k

behoort een effectieve middellijn van d
ef
= 0,9d te worden aangehouden, vooropgesteld
dat de minimale middellijn niet kleiner is dan 0,7d

Indien de lengte van de gladde schacht in het onderdeel waarin de punt zich bevindt niet
kleiner is dan 4d, mag bij de berekening van de waarde van M
y,k
de schachtmiddellijn
worden aangehouden.

(2) Er is aangenomen dat:

- schroeven worden geschroefd in een voorgeboord gat (zie paragraaf 7.4)
- de lengte van de gladde schacht groter of gelijk is aan de dikte van het onderdeel
onder de schroefkop.

(3) De hechtlengte van de schroef (d.w.z. de lengte van de schroef in het onderdeel waarin de
punt zich bevindt), behoort ten minste 4d te zijn.

6.7.2 Op trek belaste schroeven

(1) Voor de rekenwaarde van de uittrekkracht van schroeven die loodrecht op de vezel zijn
aangebracht behoort te worden aangehouden:
R
d
= f
3,d
(l
ef
- d) (en N) (6.7.2a)

Waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :
f
3,d
is de rekenwaarde van de uittreksterkte ; (N/mm)
l
ef
is de lengte in mm van het van schroefdraad voorziene deel van de schroef in het
onderdeel waarin de punt zich bevindt;
d is de middellijn van de gladde schacht, in mm.

De rekenwaarde van de uittreksterkte f
3,d
behoort te worden berekend met de
karakteristieke uittreksterkte f
3,k
zoals gegeven in 6.2.1 (2).

De karakteristieke waarde van f
3,k
behoort te worden berekend als:
f
3,k
= ( 1,5 + 0,6 d )
k
(6.7.2b)
met
k
in kg/m.

Voor de minimale tussen-, eind- en randafstanden en de hechtlengte behoren dezelfde
waarden te worden aangehouden die zijn gegeven voor op afschuiving belaste schroeven.

6.7.3 Op trek en afschuiving belaste schroeven

(1) Aan de voorwaarde gegeven in formule (6.3.3b) behoort te worden voldaan.


Blz. 86
ENV 1995-1-1:1993




6.8 Verbindingen met hechtplaten

(1) Voor verbindingen met hechtplaten zijn de regels van bijlage D van toepassing.


Blz. 87
ENV 1995-1-1:1993




7 CONSTRUCTIEVE DETAILLERING EN CONTROLE

7.1 Algemeen

P(1) Houtconstructies moeten zo zijn gemaakt dat ze overeenkomen met de uitgangspunten van
het ontwerp.

De in de (draag)constructie gebruikte materialen moeten zo worden toegepast, gebruikt of
gemonteerd dat zij de functies waarvoor ze zijn ontworpen afdoende vervullen.

P(2) De constructie, voorbereiding en de montage van materialen moet geschieden volgens de
regels van goed vakmanschap.

7.2 Materialen

P(1) De initile uitbuiging, gemeten in het midden tussen de opleggingen, mag voor kolommen
en liggers die gevoelig zijn voor instabiliteit en voor constructie-elementen in raamwerken
niet groter zijn dan 1/500 van de lengte bij gelamineerde houten elementen en 1/300 van de
lengte bij gezaagd hout
16)
.

(2) Hout en houtachtige onderdelen en constructie-elementen moeten niet onnodig worden
blootgesteld aan klimaatomstandigheden die zwaarder zijn dan de klimaatomstandigheden
die worden verwacht in de gerede constructie.

(3) Het toe te passen hout moet voor de montage zijn gedroogd tot een houtvochtgehalte dat in
overeenstemming is met het omgevingsklimaat van de gerede constructie. Hogere
houtvochtgehalten kunnen worden toegelaten als de effecten van krimp niet belangrijk
worden geacht en als delen die onacceptabel zijn beschadigd worden vervangen, mits het
hout kan drogen tot het gewenste vochtgehalte.

7.3 Gelijmde verbindingen

(1) Indien de sterkte van de lijmverbinding een van de criteria is bij de toetsing van de uiterste
grenstoestand moet de fabrikant van het gelijmd product beschikken overeen
kwaliteitscontrolesysteem waarmee kan worden aangetoond dat de betrouwbaarheid en de
kwaliteit van de verbinding in overeenstemming is met de technische specificatie.

(2) De instructies van de lijmfabrikant, die betrekking hebben op het mengen van de lijm, het
omgevingsklimaat bij gebruik en uitharding, het vochtgehalte van de onderdelen en overige
factoren die van belang zijn voor een juist gebruik, behoren te worden opgevolgd.

(3) Lijmen die na het verwerken moeten uitharden tot de volle sterkte, behoren gedurende de
uithardingsperiode slechts beperkt te worden belast.


16)
In de meeste sterktesorteringsnormen zijn de eisen aan de initile uitbuiging onvoldoende voor de selectie van
dit soort constructie-elementen. Bijzondere aandacht moet derhalve worden besteed aan de rechtheid van de
elementen.


Blz. 88
ENV 1995-1-1:1993




7.4 Verbindingen met mechanische verbindingsmiddelen

P(1) Op de plaats van verbindingen moeten wan, scheuren, kwasten en andere
onvolkomenheden in het hout tot een minimum worden beperkt, waardoor de sterkte van de
verbinding niet wordt verminderd.

(2) Tenzij anders is voorgeschreven behoren nagels loodrecht op de houtvezel te worden
ingeslagen tot een zodanige diepte dat het oppervlak van de nagelkop in het vlak van het
houtoppervlak komt te liggen.

(3) Steeknagels behoren, tenzij anders is voorgeschreven, overeenkomstig figuur 6.3.2(b) te
worden aangebracht.

(4) De middellijn van boutgaten mag maximaal 1 mm groter zijn dan die van de bout.

(5) Onder de kop en de moer behoren sluitringen te worden aangebracht, met een zijde of een
middellijn van minimaal 3d en een dikte van minimaal 0,3d (d is de boutmiddellijn).
Sluitringen behoren over het volledige oppervlak te dragen.

(6) Bouten en schroeven behoren zover te worden aangedraaid dat de onderdelen aanliggen.
Indien dit nodig is om de draagkracht of de stijfheid van de constructie te waarborgen
moeten bouten worden nagetrokken als het hout zijn evenwichtsvochtgehalte heeft bereikt.

(7) Stiften moeten een munimummiddellijn hebben van 6 mm. De toleranties op de
middellijn van de stift zijn -0/+0,1 mm. De voorgeboorde gaten in het hout behoren een
middellijn te hebben die niet groter is dan de stift.

(8) De middellijn van voorgeboorde gaten voor nagels behoort niet groter te zijn dan 0,8d.

(9) Schroeven met een middellijn groter dan 5 mm behoren in voorgeboorde gaten te worden
aangebracht waarvoor geldt:

- het voorgeboorde gat voor de schacht behoort dezelfde middellijn te hebben als de
schacht en een diepte gelijk aan de lengte van het gladde deel van de schacht;
- het voorgeboorde gat behoort voor het deel met schroefdraad een middellijn te
hebben van ongeveer 70% van de schachtmiddellijn.

7.5 Montage

(1) De constructie behoort zo te worden gemonteerd dat overbelasting wordt voorkomen.
Onderdelen die scheluw of gescheurd zijn, of die ter plaatse van de verbindingen slecht
passen behoren te worden vervangen.

7.6 Transport en opbouw

(1) Overbelasting van onderdelen tijdens opslag, transport en montage behoort te worden
voorkomen. Als de draagconstructie tijdens de bouw anders wordt belast of opgelegd dan in
de uiteindelijke situatie het geval zal zijn, dan moet deze worden beschouwd als een apart
belastingsgeval, inclusief eventuele dynamische componenten. Bij bijvoorbeeld bogen,
portalen, enz. behoort bij het hijsen van de horizontale naar de verticale positie, bijzondere
aandacht te worden besteed aan het voorkomen van verdraaiing.


Blz. 89
ENV 1995-1-1:1993




7.7 Controle

7.7.1 Algemeen

(1) Er behoort een kwaliteitssysteem aanwezig te zijn waarin de volgende zaken worden
geregeld :

- de controle op productie en vakmanschap buiten en op de bouwplaats;

- de controle na het gereedkomen van de draagconstructie.

7.7.2 Productie en vakmanschap

(1) Deze controle behoort te omvatten :

- orinterend onderzoek, bijvoorbeeld onderzoek naar de geschiktheid van materialen
en productiemethoden;

- toetsing van materialen en hun identificatie bijvoorbeeld:

- voor hout en houtachtige plaatmaterialen: houtsoort, kwaliteitsklasse,
merktekens, behandelingen en houtvochtgehalte,
- voor gelijmde constructies: lijmtype, productieproces, kwaliteit van de
lijmverbinding;
- voor verbindingsmiddelen: type, corrosiebescherming;

- transport, opslag en behandeling van de materialen op de bouwplaats;

- controle op de juiste afmetingen en vorm ;

- controle van de constructieve details, bijvoorbeeld :
- aantal nagels, bouten enzovoorts ;
- afmetingen van gaten, de wijze van voorboren ;
- onderlinge afstanden en afstanden tot het eind et tot de rand ;
- splijten ;

- eindcontrole van de productie, bijvoorbeeld door visuele controle of door het
aanbrengen van proefbelastingen.

7.7.3 Controles na gereedkomen van de constructie

(1) De uit te voeren controles tijdens het gebruik van de constructie (onderhoudsinspectie)
behoren, indien de uitgangspunten bij het ontwerp geen afdoende zekerheid geven
gedurende lange tijd, te worden vastgelegd in een onderhoudsschema.

(2) Alle voor het gebruik en het onderhoud van de draagconstructie benodigde informatie
behoort te worden gesteld aan de persoon of de autoriteit die verantwoordelijk is voor
constructie na het gereedkomen.


Blz. 90
ENV 1995-1-1:1993




7.8 Bijzondere regels voor constructies met schijven

7.8.1 Dak- en vloerschijven

(1) Bij de vereenvoudigde berekening die in 5.4.2 wordt gegeven wordt ervan uitgegaan dat
platen die niet worden ondersteund door gordingen of vakwerken met elkaar worden
verbonden, bijvoorbeeld door middel van onderslagen zoals aangegeven in figuur 7.8.1.
Voor het bevestigen van de platen behoren ring- of andere geprofileerde nagels, of
schroeven te worden gebruikt, met maximale tussenafstanden langs de plaatranden van 150
mm. En op de overige plaatsen 300 mm.




Figuur 7.8.1 Voorbeelden van verbindingen tussen panelen die niet zijn opgelegd op een
gording of vakwerk. De beplating wordt genageld op onderslagen die met
steeknagels aan de gordingen of vakwerken zijn bevestigd.


7.8.2 Wandschijven

(1) Langs de plaatranden behoort een maximale tussenafstand voor bevestigingsmiddelen te
worden aangehouden van 150 mm voor draadnagels en 200 mm voor schroeven. Op de
overige plaatsen behoort een maximale afstand van 300 mm te worden aangehouden.




Figuur 7.8.2 Paneelbevestingingen



Beplating genageld op onderslag
onderslag
Onderslag met steeknagels
Verbonden aan gording of vakwerk
Maximale nagelafstand
300mm op
tussenliggende stijlen Maximale
nagelafstand
150mm
Plaatrand


Blz. 91
ENV 1995-1-1:1993




7.9 Bijzondere regels voor vakwerken met hechtplaten

7.9.1 Vervaardiging

(1) Vakwerken behoren overeenkomstig prEN 1059 te worden vervaardigd.

7.9.2 Opbouw

(l) Voordat het definitieve stabiliteitsverband wordt gemonteerd, behoort te worden
gecontroleerd of de vakwerken recht en verticaal staan.

(2) Bij de productie van vakwerken behoren de onderdelen recht te zijn, binnen de grenzen
zoals gegeven in prEN 1059. Indien onderdelen tussen fabricage en montage zijn
getordeerd en zonder schade toe te brengen aan het hout of de verbindingen recht kunnen
worden gemaakt en recht kunnen worden gehouden, mag het vakwerk worden beschouwd
als geschikt voor gebruik.

(3) Na de montage is in elk onderdeel van de vakwerken een maximale uitbuiging van 10 mm
toegelaten mits adequaat verbonden met het gerede dak waardoor toename van de
uitbuiging wordt voorkomen.

(4) De maximale afwijking van de verticaal mag nier groter zijn dan 10 + 5(H - 1) mm, met een
maximum van 25 mm. H is de totale hoogte van de constructie, in m.


Blz. 92
ENV 1995-1-1:1993




Bijlage A
(Informatief)
Bepaling van de 5-percentiel karakteristieke waarden van
beproevingsresultaten en acceptatiecriteria voor een steekproef.


A1 Onderwerp en toepassingsgebied

(1) Deze bijlage geeft een methode om de 5-percentiel karakteristieke waarde van een
populatie te berekenen aan de hand van resultaten van beproeving, en een methode om te
bepalen of een 5-percentiel waarde van een steekproef van de productie gelegen is onder
een vooraf vastgelegde waarde.

(2) De methode behoort niet te worden gebruikt in die gevallen waarin is voorzien door
andere Europese normen, of waar aannamen die afwijken van de hieronder vermelde
aannamen aantoonbaar beter van toepassing zijn.

A2 Bepaling van de 5-percentiel karakteristieke waarde

A2.1 Eisen

(1) De 5-percentielwaarde moet worden bepaald als de ondergrens van het eenzijdige 84,1%
betrouwbaarheidsinterval uitgaande van een lognormale verdeling. De variatiecofficint
mag niet kleiner zijn dan 0,10.

(2) De grootte van de steekproef n mag niet kleiner zijn dan 30.

A2.2 Methode

(1) Trek uit de populatie een steekproef van n proefstukken en beproef deze volgens de
betreffende normen voor de te meten grootheid x.

Bepaal de gemiddelde waarde m{x} en de variatiecofficint v{x}. Bepaal de
karakteristieke waarde x
k
als

x
k
= k
1
m{x} (A2.2a)

waarin

k
1
= exp [ - (2,645 + n 1 ) v{x} + 0,15 ] (A2.2b)

De waarde van v{x} mag niet kleiner zijn dan 0,10.

Waarden voor k
1
zijn gegeven in tabel A2.

Opmerking :
De waarde bepaald met (A2.2a en b) is de hoogste waarde die de producent mag
hanteren als de karakteristieke waarde. Als het product is onderworpen aan een
procedure van kwaliteitscontrole voor beproeving en evaluatie als beschreven in
A3, is het aan te bevelen een lagere waarde aan te houden om een onredelijke uitval
te voorkomen.


Blz. 93
ENV 1995-1-1:1993




Tabel A2. Factor k
1

Steekproefgrootte n
Variatie-
cofficint
v{x}
30 40 50 100

0,10 0,876 0,878 0,879 0,883 0,892
0,12 0,827 0,830 0,832 0,836 0,846
0,14 0,781 0,785 0,787 0,791 0,802
0,16 0,738 0,742 0,744 0,749 0,761
0,18 0,697 0,701 0,704 0,709 0,722
0,20 0,659 0,663 0,665 0,671 0,685
0,22 0,622 0,627 0,629 0,635 0,649
0,24 0,588 0,593 0,595 0,601 0,616
0,26 0,556 0,561 0,563 0,569 0,584
0,28 0,525 0,530 0,532 0,539 0,554
0,30 0,496 0,501 0,504 0,510 0,525


A3 Acceptatiecriteria voor een steekproef

A3.1 Eisen

(1) De kans dat de 5-percentiel waarde van een steekproef kleiner is dan 95% van de
vastgelegde karakteristieke waarde f
k
moet, uitgaande van een lognormale verdeling,
kleiner zijn dan 15.9%. Aangenomen wordt dat de variatiecofficint bekend is, uit
bijvoorbeeld een continue productiecontrole. Voor de variatiecofficint mag geen
waarde worden gehanteerd die kleiner is dan 0,10.

A3.2 Methode

(1) Trek uit de partij een steekproef van n proefstukken en beproef deze volgens de
betreffende norm voor de grootheid x.

Bereken de gemiddelde waarde m{x}.

De steekproef wordt geaccepteerd als

m{x}. k
2
f
k
(A3.2a)

waarin

k
2
= exp [ (2,645 + n 1 ) v{x} - 0,1875 ] (A3.2b)

Waarden voor k
2
zijn gegeven in tabel A 3.


Blz. 94
ENV 1995-1-1:1993




Tabel A3. Factor k
2

Steekproefgrootte n
Variatie-
cofficint
v{x}
3 5 10 20 50 100

0,10 1,14 1,13 1,11 1,10 1,10 1,09 1,08
0,12 1,22 1,20 1,18 1,17 1,16 1,15 1,14
0,14 1,30 1,28 1,25 1,25 1,23 1,22 1,20
0,16 1,39 1,36 1,33 1,31 1,30 1,29 1,27
0,18 1,48 1,45 1,41 1,39 1,37 1,36 1,34
0,20 1,58 1,54 1,50 1,47 1,45 1,44 1,41
0,22 1,68 1,64 1,59 1,56 1,53 1,52 1,49
0,24 1,80 1,74 1,69 1,65 1,62 1,60 1,57
0,26 1,92 1,85 1,79 1,75 1,71 1,69 1,65
0,28 2,04 1,97 1,90 1,85 1,81 1,79 1,74
0,30 2,18 2,10 2,02 1,96 1,91 1,89 1,84



Blz. 95
ENV 1995-1-1:1993



Bijlage B
(Informatief)
Mechanisch verbonden liggers

B1 Algemeen

B1.1 Dwarsdoorsneden

(1) Beschouwd worden de dwarsdoorsneden zoals weergegeven in figuur B1.1.

B1.2 Constructies en aannamen

(1) De ontwerpmethode is gebaseerd op de lineaire-elasticiteitstheorie en de volgende
aannamen:

- de liggers zijn scharnierend opgelegd met een overspanning l. Voor doorgaande
liggers kunnen de formules worden gebruikt waarbij l gelijk is aan 0,8 maal de
werkelijke overspanning; voor uitkragende liggers met l gelijk aan twee maal de
uitkraging;

- de afzonderlijke onderdelen (van hout, houtachtige plaatmaterialen) bestaan elk uit
n element over de gehele lengte van de ligger, of uit meer aan elkaar gelijmde
elementen;

- de samenstellende delen zijn onderling verbonden met mechanische
verbindingsmiddelen met een verschuivingsmodulus K;
- de tussenafstand s van de verbindingsmiddelen is constant of varieert gelijkmatig
met de schuifkracht tussen s
min
en s
max
, met s
max
= 4s
min


- de z-richting werkzame belasting resultereert in een moment M = M(x) met een
sinusvormig of parabolisch verloop, en een dwarskracht V = V(x).

B1.3 Tussenafstanden

(1) Als een flens uit twee aan het lijf bevestigde onderdelen bestaat of als het lijf uit twee
onderdelen bestaat (bijvoorbeeld bij een kokerligger), wordt de tussenafstand S
i
bepaald
door de som van het aantal verbindingsmiddelen per lengte-eenheid in de twee
aansluitvlakken..

B1.4 Doorbuigingen ten gevolge van buigende momenten

(1) Doorbuigingen worden berekend met een effectieve buigstijfheid (EI)
ef
bepaald volgens
B2.



Blz. 96
ENV 1995-1-1:1993







Figuur B1.1 Dwarsdoorsnede (links) en het verloop van de buigspanningen (rechts).
Alle maten zijn positief behalve a
2
die positief is aangenomen zoals
aangegeven..
Tussenafstand: s1

Verschuivingsmodulus: K1

Belasting: F1
Tussenafstand: s1

Verschuivingsmodulus: K1

Belasting: F1
Tussenafstand: s3

Verschuivingsmodulus: K3

Belasting: F3
Tussenafstand: s1

Verschuivingsmodulus: K1

Belasting: F1
Tussenafstand: s3

Verschuivingsmodulus: K3

Belasting: F3

Blz. 97 bis



(1) C In de formule (B.2.d), is
2
gelijk aan n.
De betekenis van l in de formule (B.2.e) is te vinden in punt B1.2 (Blz. 95).
































B4
(1) C

Met V wordt V
d
bedoeld.






B5
(1) V

De belasting op een verbindingsmiddel behoort te worden bepaald met :

ef d i i i i i i
) I E ( / V a s A E F
met i = 1 en 3, waarbij s
i
= s
i
(x) de tussenafstand van de verbindingsmiddelen is, zoals
gedefinieerd in B1.3, en V
d
= V
d
(x)

Blz. 97
ENV 1995-1-1:1993



B2 Effectieve buigstijfheid

(1) De effectieve buigstijfheid behoort te worden bepaald met :

( EI )
ef
=

3
1 i
(E
i
I
i
+
i
E
i
A
i
a
i
) (B2a)

met gemiddelde waarden voor E
i
, en waarbij :

A
i
= b
i
h
i
(B2b)

I
i
= b
i
h
i
/ 12 (B2c)

2
= 1 (B2d)

1
= [ 1 + E
i
A
i
s
i
/ (K
i
l)
-1
] voor i = 1 en i = 3 (B2e)


( ) ( )

+ +

3
1
i i
3 2 3 3 3 2 1 1 1 1
2
A E 2
h h A E h h A E
a
i
i


(B2f)

Voor T-vormige doorsneden is h
3
= 0.


B3 Normaalspanningen

(I) De normaalspanningen behoren te worden bepaald met :


i
=
i
E
i
a
i
M / (EI)
ef
(B3a)


m,i
= 0,5 E
i
h
i
M / (EI)
ef
(B3b)


B4 Maximale schuifspanning

(1) De maximale schuifspanningen komen voor op de plaatsen waar de normaalspanningen
gelijk zijn aan nul. Voor de maximale schuifspanning in deel 2 van de dwarsdoorsnede
behoort te worden aangehouden:


2,max
= (
3
E
3
A
3
a
3
+ 0,5 E
2
b
2
h ) V / ( b
2
( EI)
ef
) (B4)


B5 Belasting op verbindingsmiddelen

(1) De belasting op een verbindingsmiddel behoort te worden bepaald met:

F
i
=
i
E
i
A
i
a
i
s
i
V / (EI)
ef
(B5)

met i = 1 en 3, waarbij s
i
= s
i
(x) de tussenafstand van de verbindingsmiddelen zoals
gedefinieerd in B1.3, en V = V(x).
Blz. 98 bis









(1) V De volgende aannamen zijn van toepassing :
de kolommen zijn scharnierend opgelegd met een lengte l ;
de afzonderlijke onderdelen bestaan uit n over de gehele lengte van de kolom
doorgaand element;
de belasting is een axiale kracht F
c
, die aangrijpt in het zwaartepunt (zie echter 5.2.1(4))













C.1.2
(2) A

...

n ..., 1,2,3, = i met
E
E
A A
i
ref
i
i tot














(1) A ...
(C2.2a) met :
n ..., 1,2,3, = i met A A
i
i tot

...

Blz. 98
ENV 1995-1-1:1993



Bijlage C
(Informatief)
Samengestelde kolommen

C1 Algemeen

C1.1 Aannamen

(1) De volgende aannamen zijn van toepassing:

- de kolommen zijn scharnierend opgelegd met een lengte l ;
- de afzonderlijke onderdelen bestaan uit n over de gehele lengte van de kolom
doorgaand element ;
- de belasting is een axiale kracht F
c
die aangrijpt in het geometrische zwaartepunt,
(zie echter C2.4).

C1.2 Draagkracht

(1) Voor de uitbuiging van de kolom in de y-richting (zie figuren C3.1 en C4.1) is de
draagkracht gelijk aan de som van de draagkrachten van de afzonderlijke onderdelen.

(2) Voor de uitbuiging van de kolom in de z-richting (zie figuur C.3.1 en C4.1) moet worden
voldaan aan:

c,0,d
k
c
f
c,0,d
(C1.2a)

waarin :

c,0,d
= F
c,d
/ A
tot
(C1.2b)

A
tot
is de totale oppervlakte van de doorsnede ;
k
c
is bepaald volgens 5.2.1 maar met een effectieve slankheid
ef
volgens C2 -C4.

C2 Mechanisch verbonden kolommen

C2.1 Aannamen

(1) Samengestelde kolommen met doorsneden zoals gegeven in bijlage B worden
beschouwd. Hierbij wordt echter aangenomen dat
E
1
= E
2
= E
3
= E (C2.1)
waarbij E
gemiddeld
behoort te worden gebruikt.

C2.2 Effectieve slankheid

(1) De effectieve slankheid behoort te worden bepaald met:


I
/
A
l =
ef tot ef
(C2.2a)
waarin:
Ief = (EI)ef / E (C2.2b)

en (EI)ef is bepaald volgens bijlage B.


Blz. 99
ENV 1995-1-1:1993



C2.3 Belasting op verbindingsmiddelen

(1) De belasting op een verbindingsmiddel behoort te worden bepaald overeenkomstig
bijlage B, (B.5), waarin :

F
cd
/ (120 k
c
) voor
ef
30 (C2.3a)

V
d
= F
cd

ef
/ (3600 k
c
) voor 30 <
ef
60 (C2.3b)

F
cd
/ (60 k
c
) voor 60 <
ef
(C2.3c)

C2.4 Gecombineerde belastingen

(1) In die gevallen waarin naast een axiale belasting ook kleine momenten bijvoorbeeld door
het eigen gewicht werkzaam zijn is 5.2.1 (4) van toepassing.

C3 Samengestelde kolommen verbonden met klossen of koppelplaten

C3.1 Aannamen

(1) Beschouwd worden de kolommen zoals weergegeven in figuur C 3.1, dat wil zeggen
kolommen met plaatselijk door klossen of koppelplaten verbonden staafdelen. De
verbindingen mogen zijn genageld, gelijmd of gebout met geschikte
verbindingsmiddelen.


Voor kolommen die bestaan uit twee samenstellende delen :
A
tot
= 2 A et I
tot
= b ((2 h + a) - a) / 12
Voor kolommen die bestaan uit drie samenstellende delen:
A
tot
= 3 A et I
tot
= b ((3 h + 2 a) - (h + 2 a) + h) / 12

Figuur C3.1 Plaatselijk verbonden kolommen


Blz. 100
ENV 1995-1-1:1993



(2) De volgende aannamen zijn van toepassing :

- de doorsnede is opgebouwd uit 2, 3 of 4 gelijke delen;

- de doorsneden zijn dubbel symmetrisch ;

- het aantal velden is ten minste gelijk aan 3, dat wil zeggen dat de samenstellende
delen ten minste aan de einden en op ieder derde deel zijn verbonden;

- de vrije ruimte tussen de samenstellende delen mag niet groter zijn dan 3 maal de
dikte h voor kolommen die plaatselijk zijn verbonden door klossen en niet groter
dan 6 maal de dikte h voor kolommen die plaatselijk zijn verbonden door
koppelplaten;

- de verbindingen, klossen en koppelplaten moeten zijn ontworpen in
overeenstemming met C3.3,

- de lengte van een klos l
2
moet voldoen aan de voorwaarde : l
2
/ a 1,5;

- er moeten tenminste 4 draadnagels of 2 bouten in ieder aansluitvlak zijn toegepast.
Bij genagelde verbindingen moeten per aansluitvlak in de lengterichting van de
kolom ten minste 4 draadnagels in een rij worden toegepast;

- de lengte van de koppelplaten moet voldoen aan de voorwaarde : l
2
/ a 2,

- de kolommen moeten worden belast door concentrische axiale belastingen.

C3.2 Axiale draagkracht

(1) Voor uitbuiging van de kolom in de y-richting (zie figuur C3.1) is de draagkracht gelijk
aan de som van de draagkrachten van de afzonderlijke delen.

(2) Voor uitbuiging van de kolom in de z-richting geldt C1.2 met :


ef
=
2
1
2
2
n
+ (C3.2a)

waarin :
gelijk is aan de slankheid van een massieve kolom met dezelfde lengte,dezelfde
oppervlakte (A
tot
) en hetzelfde axiale kwadratische oppervlaktemoment (I
tot
), dat wil
zeggen,
= l
tot
tot
A
I
(C3.2b)

1
is de slankheid van een afzonderlijk onderdeel. In (C3.2b) behoort een minimalz
waarde
1
= 30 te worden aangehouden.


1
=
h
12
1
l
(C3.2c)

n is het aantal afzonderlijke delen ;

is een factor gegeven in tabel C3.2


Blz. 101
ENV 1995-1-1:1993




Tabel C.3.2 Factor
Klossen Koppelplaten
gelijmd genageld gebout* gelijmd genageld
Permanente/ lange-duur
belasting
1 4 3,5 3 6
Middellange/korte-duur
belasting
1 3 2,5 2 4,5
* met verbindingsmiddelen


C3.3 Belasting op verbindingsmiddelen van koppelplaten en klossen

(1) De belasting op de verbindingsmiddelen van koppelplaten en klossen moet worden
aangehouden zoals gegeven in figuur C3.3, met V
d
volgens C2.3.



Figuur C3.3 Verdeling van de dwarskracht en belastingen op koppelplaten en klossen.


Blz. 102
ENV 1995-1-1:1993




C4 Samengestelde kolommen gekoppeld met gelijmde of genagelde diagonalen

C4.1 Aannamen

(1) Beschouwd worden kolommen die plaatselijk gekoppeld zijn door diagonalen tot N- of
V-vormige vakwerken.De verbindingen worden gelijmd of genageld, zie figuur C4.1



Figuur C4.1 Kolommen die plaatselijk door diagonalen zijn gekoppeld.
De oppervlakte van n flens is A
f
en het axiale kwadratische
oppervlaktemoment van de flens om de eigen as is I
f
.

N-vakwerk
aantal nagels : n

aantal nagels n sin
V-vakwerk
aantal nagels : n
aantal nagels : n


Blz. 103
ENV 1995-1-1:1993



(2) De volgende aannamen zijn van toepassing :

- de constructie heeft een symmetrische doorsnede om de y- en z-as. De vakwerken
aan weerszijden mogen over een lengte l
1
/2 ten opzichte van elkaar zijn
verschoven, waarbij l
1
gelijk is aan de afstand tussen de knopen;

- er zijn minimaal 3 velden aanwezig ;

- in genagelde constructies moeten in iedere knoop per aansluitvlak en per diagonaal
minimaal 4 draadnagels zijn aangebracht ;

- ieder einde is zijdelings gesteund ;

- de slankheid van de individuele flenzen, gebaseerd op een knooppuntsafstand l
1
, is
niet groter dan 60;

- lokaal bezwijken van de flenzen bij een kolomlengte l
1
treedt niet op ;

- het aantal draadnagels in de verticalen (van een N-vakwerk) is groter dan n sin,
waarbij n gelijk is aan het aantal draadnagels in de diagonalen en gelijk is aan de
hoek van de diagonalen.

C4.2 Draagkracht

(1) De draagkracht die hoort bij de uitbuiging van de kolom in de y-richting is gelijk aan de
som van de draagkracht bij uitbuiging van de flenzen.

(2) Voor uitbuiging
ef
de kolom in z-richting geldt C 1.2 met:

+ 1
tot
(C4.2a)

ef
= max

tot
05 , 1 (C4.2b)


waarin
tot
gelijk is aan de slankheid van een massieve kolom met dezelfde lengte,
dezelfde oppervlakte en hetzelfde axiale kwadratische oppervlaktemoment, dat wil
zeggen:


tot
=
h
2l
(C4.2c)

en zoals hieronder gegeven.

(3) Voor gelijmde V-vakwerken:

= 4
2
f
f
2
h
I
A e

,
_

l
(C4.2d)

waarbij e is aangegeven in figuur C4.1




Blz. 104
ENV 1995-1-1:1993




(4) Voor gelijmde N-vakwerken:

=
2
f
f
2
h
I
A e

,
_

l
(C4.2e)

waarbij e is aangegeven in figuur C4.1

(5) Voor genagelde V-vakwerken :

= 25
2 sin K n
A E h
2
f
l
(C4.2f)

waarbij n het aantal draadnagels per diagonaal is en K de verschuivingsmodulus van n
draadnagel. Indien een diagonaal uit twee of meer delen bestaat, is n gelijk aan de som
van het aantal draadnagels (en niet het aantal draadnagels per aansluitvlak).E
gemiddeld

behoort te worden gebruikt.

(6) Voor genagelde N-vakwerken :

= 50
2 sin K n
A E h
2
f
l
(C4.2g)

waarbij n het aantal draadnagels per diagonaal is en K de verschuivingsmodulus van n
draadnagel. Indien een diagonaal uit twee of meer delen bestaat, is n gelijk aan de som
van het aantal draadnagels (en niet het aantal draadnagels per aansluitvlak). E
gemiddeld

behoort te worden gebruikt.


C4.3 Dwarskrachten

(1) C 2.3 is van toepassing.


Blz. 105
ENV 1995-1-1:1993



Bijlage D
(Normatief)
Ontwerp en berekening van vakwerken met hechtplaten

D1 Algemeen

(1) De eisen van 5.4.1.1 zijn van toepassing.

(2) De methode zoals beschreven in deze bijlage kan ook worden gebruikt voor vakwerken
met andere verbindingsmiddelen met een overeenkomstige vorm, zoals nagelplaten of
triplex koppelplaten.

D2 Verbindingen

(1) Lassen mogen worden gemodelleerd als oneindig stijf als de optredende rotatie bij
belasting geen significant effect heeft op het verloop van de krachten in het element. Aan
deze voorwaarde is voldaan als:

- de draagkracht van de lasverbindingen minimaal gelijk is aan 1,5 maal de
combinatie van opgelegde kracht en moment;

- de draagkracht van de lasverbindingen minimaal gelijk is aan de combinatie van
opgelegde kracht en moment, mits:

- de verbinding niet wordt onderworpen aan buigspanningen groter dan 0,3
maal de buigsterkte van het element, en

- de constructie ook stabiel zou zijn als deze verbindingen zouden zijn
uitgevoerd met scharnierende knopen.

(2) De invloed van de verschuiving in de verbindingen behoort te worden gemodelleerd f
via verqschuivingsmodulussen, f door voorgeschreven vervormingen overeenkomstig de
optredende spanningsniveaus in de verbindingen.

(3) Waarden voor de verschuivingsmodulus K
ser
voor de direct optredende vervorming, of de
voorgeschreven vervorming u
ser
voor de bruikbaarheidsgrenstoestand behoort te worden
bepaald door proeven volgens de methode voor de bepaling van k (= K
ser
) zoals in EN
26891 is gegeven.

(4) De verschuivingsmodulus K
u
, voor de direct optredende vervorming in de uiterste
grenstoestand, is gegeven door

K
u
= 2 K
ser
/ 3 (D2a)

5) De langeduur verschuivingsmodulus K
u,fin
is gegeven door :

K
u,fin
= K
u
/ (1 + k
def
) (D2b)

(6) De voorgeschreven vervorming in de uiterste grenstoestand, u
u
is gegeven door:

u
u
= 2,0 u
ser
(D2c)

(7) De totale voorgeschreven vervorming is gegeven door :

u
u,fin
= u
u
(1 + k
def
) (D2d)


Blz. 106
ENV 1995-1-1:1993





D3 Berekening van de krachtverdeling

(1) De eisen van 5.4.1.2 zijn van toepassing.

(2) Bij vakwerken die zijn opgebouwd uit driehoeken waar een kleine geconcentreerde
belasting (bijvoorbeeld belasting door een persoon) een component loodrecht op het
element heeft < 1,5 kN, en waar
c,d
< 0,4 f
c,d
, en
t,d
< 0,4 f
t,d
, behoren de eisen van 5.1.9
en 5.1.10 te worden vervangen door

m,d
0,75 f
m,d
(D3)

D4 Vereenvoudigde berekening van de krachtverdeling

(1) De eisen van 5.4.1.3 zijn van toepassing.

(2) De opleggingen mogen worden gemodelleerd als scharnieren als meer dan de helft van de
oplegging is gelegen recht onder de verbinding van het overstek is gelegen, en de afstand
a
2
uit figuur D4 niet groter is dan a
1
/3 of 100 mm. De grootste waarde is maatgevend.



Figuur D4 Eisen voor een scharnierende oplegging

(3) Voor vakwerken die hoofdzakelijk ter plaatse van de knooppunten worden belast, geldt
dat de som van de verhoudingen van de gecombineerde buig- en normaaldrukspanningen
zoals gegeven in formules 5.1.10a en b moet worden begrensd door 0,9.

D5 Toetsing van de sterkte van de onderdelen

(1) De eisen van hoofdstuk 5 zijn van toepassing.
Blz. 107 bis





















D6.2
(1) C

...
A
eff




...


Is het totaal contactoppervlak tussen de hechtplaat en het hout, rekening houdend met
de plaatsingstoleranties en met het niet werkzaam zijn van de tanden die zich op de
rand of op het uiteinde van het hout bevinden. A
eff
is dus de oppervlakte van de
hechtplaat verminderd met een strook van 5 mm langs de randen en van 10 mm
gemeten in de vezelrichting t.p.v. de uiteinden van het hout waar de houten elementen
samenkomen.

Blz. 107
ENV 1995-1-1:1993




D6 Toetsing van de sterkte van hechtplaten

D6.1 Algemeen

(1) De volgende regels gelden alleen voor hechtplaten met twee orthogonale richtingen.

D6.2 Geometrie van de hechtplaat

(1) De geometrie van de hechtplaat is gegeven in figuur D6.2. De symbolen zijn als volgt
gedefinieerd:

x-richting is de hoofdrichting van de plaat ;

y-richting is de richting loodrecht op de hoofdrichting ;

is de hoek tussen de x-richting en de kracht F;

is de hoek tussen de vezelrichting en de kracht F ;

is de hoek tussen de x-richting en de verbindingslijn ;

A
ef
is het effectieve oppervlak, dat wil zeggen het gebied van het totale
contactoppervlak tussen de hechtplaat en het hout, gereduceerd met die delen
van het contactoppervlak die buiten bepaalde rand- en eindafstanden liggen;

l is de lengte van de plaat, gemeten langs de verbindingslijn.



Figuur D6.2 Geometrie van een hechtplaatverbinding belast door een kracht F en
een moment M
Effectieve
oppervlakte
Blz. 108 bis



































D6.4
(1) C

Deze formules kunnen ook geschreven worden als volgt:

Voor = 0 :
f
a,,,d
= f
a,0,0,d
+ k
1
. Indien
0


f
a,,,d
= f
a,0,0,d
+ k
1
.
0
- k
2
. (-
0
) Indien
0
90


Voor > 0 :
f
a,,0,d
- (f
a,,0,d
- f
a,90,90,d
) . /45
f
a,,,d
= max
(1 - c . sin (max(,))) . f
a,0,0,d

Indien 0 45

f
a,,,d
=(1 - c . sin (max(,))) . f
a,0,0,d
Indien 45 90

met c,een karakteristiek eigen aan de hechtplaat = (f
a,0,0,d
- f
a,90,90,d
)/f
a,0,0,d


Blz. 108
ENV 1995-1-1:1993




D6.3 Draagkracht van de hechtplaat

(1) De plaat moet de volgende goedgekeurde karakteristieke waarden hebben, die zijn
bepaald met proeven volgens de methoden die zijn beschreven in prEN 1075:

f
a,0,0
is de verankeringssterkte per oppervlakte-eenheid voor = 0 en = 0;

f
a,90,90
is de verankeringssterkte per oppervlakte-eenheid voor = 90 en = 90;

f
t,0
is de treksterkte per breedte-eenheid van de plaat in de x-richting ( = 0);

f
c,0
is de druksterkte per breedte-eenheid van de plaat in de x-richting ( = 0);

f
v,0
is de afschuifsterkte per breedte-eenheid van de plaat in de x-richting ( = 0);

f
t,90
is de treksterkte per breedte-eenheid van de plaat in de y-richting ( = 90);

f
c,90
is de druksterkte per breedte-eenheid van de plaat in de y-richting ( = 90);

f
v,90
is de afschuifsterkte per breedte-eenheid van de plaat in de y-richting
( = 90);

k
1
, k
2
,
0
zijn constanten.

(2) Om de rekenwaarden van de op trek-, druk- en afschuifsterkte van de plaat te kunnen
berekenen moet voor k
mod
de waarde 1,0 en voor
m
de waarde 1,1 worden aangehouden.

D6.4 Verankeringssterkten

(1) De rekenwaarde voor de verankeringssterkte f
a,,,d
moet worden bepaald aan de hand
van proeven of worden berekend met:

f
a,,0,d
(f
a,,0,d
- f
a,90,90,d
) /45 (D6.4a)
f
a,,,d
= max
f
a,0,0,d
(f
a,0,0,d
- f
a,90,90,d
) sin ( max( ,)) (D6.4b)

als 45, of

f
a,,,d
= f
a,0,0,d
- (f
a,0,0,d
f
a,90,90,d
) sin ( max (,) ) (D6.4c)

als 45 < 90.

(2) De rekenwaarde van de verankeringssterkte in de vezelrichting wordt gegeven door :

f
a,,0,d
+ k
1
als
0
(D6.4d)
f
a,,0,d
=
f
a,0,0,d
+ k
1

0
+ k
2
(
0
) als
0
< 90 (D6.4e)

(3) De constanten k
1
, k
2
en
0
moeten voor het betreffen type nagelplaat worden bepaald
door proeven volgens prEN 1075.
Blz. 109 bis





(1) V De verankeringsspanningen
F
en
M
worden berekend met:

eff
A
F
A
F
(D6.5.1a)
d A
M 4
eff
A
M

(D6.5.1b)
waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

F
A
is de kracht op de plaat, aangrijpend ter plaatse van het zwaartepunt van
Het effectieve oppervlak ;
M
A
is het moment werkend op de plaat = M + F
A
. e
e de excentriciteit van de kracht tot het zwaartepunt van het effectief oppervlak


d is de lengte van de diagonaal van een rechthoek waarvan de oppervlakte gelijk aan de
effectieve opervlakte en de hoogte gelijk aan de hoogte van het oorspronkelijke
oppervlak maar genomen loodrecht op de lange zijde :

2 2 eff
h )
h
A
( d +
Voorbeelden :



(3) V Aan de volgende voorwaarde behoort te zijn voldaan:
1
f f
2
d , 0 , 0 , a
M
2
d , , , a
F

,
_

,
_



(D6.5.1c)

D6.5.2
(1) C



Blz. 109
ENV 1995-1-1:1993



D6.5 Toetsing van de sterkte van de verbinding

D6.5.1 Verankeringssterkte van de plaat

(1) De verankeringsspanningen
F
en
M
worden berekend met :


F
=
ef
A
A
F
(D6.5.1a)

M
=
p
max A
I
r M
(D6.5.1b)
waarin de symbolen als volgt zijn gedefinieerd :

F
A
is de kracht op de plaat, aangrijpend ter plaatse van het zwaartepunt van het
effectieve oppervlak;

M
A
is het moment werkend op de plaat ;

I
p
is het polair kwadratisch oppervlaktemoment van het effectieve oppervlak ;
r
max
is de afstand tussen het zwaartepunt en het verst hiervan verwijderde punt van het
effectieve oppervlak.




(2) Bij druk in de verbinding mogen contactspanningen tussen de houten elementen in
rekening worden gebracht om de waarde van F
A
te reduceren, mits de gemiddelde breedte
van de spleet tussen de houten elementen niet groter is dan 1 mm en maximaal 2 mm. In
die gevallen behoort de verbinding te worden gedimensioneerd op een minimale
drukkracht van F
A
/2.

(3) Aan de volgende voorwaarden behoort te zijn voldaan :

F,d
f
a,,,d
(D6.5.1c)

M,d
2 f
a,90,90,d
(D6.5.1d)

F,d
+
M,d
1,5 f
a,0,0,d
(D6.5.1e)

D6.5.2 Draagkracht van de plaat

(1) Voor een verbinding waarin slechts 2 houten elementen aan elkaar worden gekoppeld
worden de krachten in de twee hoofdrichtingen bepaald aan de hand van de volgende
formules. Een positieve waarde duidt op een trekkracht, een negatieve waarde op een
drukkracht.

F
x
F cos 2 F
M
sin (D6.5.2a)
F
y
F sin 2 F
M
cos (D6.5.2b)
waarin:

F is de kracht in de verbinding ;
F
M
is de kracht in de verbinding door het moment M (F
M
= 2 M / l).
Blz. 110 bis


(2) V ...
f
t,0,d
indien F
x
positief is (trek)
f
n,0,d
=
f
n,0,d
l sin (-
0
sin(2)) f
c,0,d
indien F
x
negatief is (druk)
R
x,d
= max
f
v,0,d
l cos
f
t,90,d
indien F
x
positief is (trek)
f
n,90,d
l cos f
n,90,d
=
R
y,d
= max f
c,90,d
indien F
x
negatief is (druk)
kf
v,90,d
l sin
1+ k
v
sin (2) indien F
x
positief is (trek)
k=
1

indien F
x
negatief is (druk)

met
0
et k
v
constanten bepaald met afschuifproeven op het type verbindingsplaat

Blz. 110
ENV 1995-1-1:1993




(2) Aan de volgende voorwaarde behoort te zijn voldaan :


2
d y,
d y,
2
d x,
d x,
R
F
R
F

,
_

,
_

1 (D6.5.2c)

waarbij F
x,d
en F
y,d
gelijk zijn aan de rekenwaarden van de krachten in de x- en de y-
richting en R
x,d
en R
y,d
gelijk zijn aan de rekenwaarden van de draagkracht van de plaat
in de x- en de y-richting. De laatste twee waarden zijn bepaald als de maximale
draagkracht van de doorsneden evenwijdig aan of loodrecht op de hoofdassen.

f
t,0,d
bij trek
f
ax,0,d
l sin : f
ax,0,d
=
R
x,d
= max f
c,0,d
bij druk (D6.5.2d)
f
v,0,d
l cos
f
t,90,d
bij trek
f
ax,90,d
l cos : f
ax,90,d
=
R
y,d
= max f
c,90,d
bij druk (D6.5.2e)
f
v,90,d
l sin

(3) Als de plaat meer houten elementen aan elkaar koppelt moeten de krachten in iedere
aansluiting van 2 houten elementen zo worden bepaald dat aan het evenwicht is voldaan
en tevens is voldaan aan formule (D6.5.2c) in iedere aansluiting.

(4) Alle maatgevende doorsneden behoren te worden gecontroleerd.

D6.5.3 Minimale eisen aan de verankering

(1) Alle verbindingen behoren in staat te zijn een kracht F
r,d
over te dragen, die werkzaam is
in een willekeurige richting. F
r,d
moet als een korte duur belasting worden beschouwd, die
aangrijpt op hout in klimaatklasse 2 met de waarde:

Fr,d = 1,0 + 0,1 L kN (D6.5.3)

Waarbij L gelijk is aan de lengte van het vakwerk in meters.

(2) De minimale overlap van de hechtplaat en het hout behoort groter dan of gelijk te zijn aan
40 mm of h/3, waarbij h gelijk is aan de hoogte van het houten element.

(3) Nagelplaten die ter plaatse van stompe lassen in een element worden toegepast behoren
ten minste 2/3 van de houtbreedte te beslaan.



Bijlage 1.

Gebruiksbelastingen (karakteristieke waarden) volgens ENV 1991 - 2 - 1.


Belaste zones q
k
[kN/m] Q
k
[kN]
Categorie A
1
Algemeen 2 2
Trappen 3 2
Balkons 4 2
Categorie B
2
3 2
Categorie C
3
C1 lokalen met tafels 3 4
C2 lokalen met vaste zetels 4 4
C3 lokalen zonder obstakels 5 4
C4 fysieke activiteiten 5 7
C5 concert-, sportzalen 5 4
Categorie D
4
D1 kleinhandel 5 4
D2 grootwarenhuizen 5 7
Categorie E
5
6 7
Categorie F
6
2 10
Categorie G
7
5 45
Categorie H
8
Helling < 20 0.75 1.5
Helling > 40 0 1.5
Categorie I
9
Zie hierboven voor categorien A tot G
Categorie K
10
Moet worden bepaald voor elk geval


1
Residentile of huishoudelijke gebouwen;
2
Kantoren;
3
Vergaderzalen, publieke gebouwen, scholen, hotels, theaters, restaurants, ...
4
Winkelruimtes ;
5
Opslagruimtes;
6
Verkeers- en parkeerzones voor lichte voertuigen
(totaal gewicht 30 kN en aantal zitplaatsen passagiers minder dan 8) ;
7
Verkeers- en parkeerzones voor middelzware voertuigen
(30 kN totaal gewicht 160 kN, op twee assen);
8
Daken : enkel toegankelijk voor normaal onderhoud, verven, herstellingen.
(lineaire interpolatie tussen 20 en 40);
9
Daken : toegankelijk met als activiteiten A tot G;
10
Daken : toegankelijk met speciale functies zoals landingsplaats voor helikopters.

Bijlage 2.

Sterkteklassen volgens EN 338 karakteristieke waarden.
Overeenkomst visuele sterkteklassen STS-04 en de sterkteklassen EN 338



1) Sterkteklassen volgens EN 338 karakteristieke waarden (februari 1995).


Tabel 1 : Sterkteklassen karakteristieke waarden
Populier en naaldhout Loofhout
C14 C16 C18 C22 C24 C27 C30 C35 C40 D30 D35 D40 D50 D60 D70
Sterkteeigenschappen in N/mm
Buiging m, k
14 16 18 22 24 27 30 35 40 30 35 40 50 60 70
Axiale trek () t , o, k 8 10 11 13 14 16 18 21 24 18 21 24 30 36 42
Trek in
dwarsrichting ()
t , 90, k 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,6 0,6 0,6 0,6 0,7 0,9
Axiale druk () c, o, k 16 17 18 20 21 22 23 25 26 23 25 26 29 32 34
Druk in
dwarsrichting ()
c, 90, k 4,3 4,6 4,8 5,1 5,3 5,6 5,7 6,0 6,3 8,0 8,4 8,8 9,7 10,5 13,5
Afschuifspanning v, k 1,7 1,8 2,0 2,4 2,5 2,8 3,0 3,4 3,8 3,0 3,4 3,8 4,6 5,3 6,0
Stijfheideigenschappen in kN/mm
Gemiddeld
elasticiteitsmodulus ()
E0, mean 7 8 9 10 11 12 12 13 14 10 10 11 14 17 20
5-percentiel
elasticiteitsmodulus ()
E0, 05 4,7 5,4 6,0 6,7 7,4 8,0 8,0 8,7 9,4 8,0 8,7 9,4 11,8 14,3 16,8
Gemiddeld
elasticiteitsmodulus ()
E90, mean 0,23 0,27 0,30 0,33 0,37 0,40 0,40 0,43 0,47 0,64 0,69 0,75 0,93 1,13 1,33
Gemiddeld
Glijdingsmodulus
G mean 0,44 0,50 0,56 0,63 0,69 0,75 0,75 0,81 0,88 0,60 0,65 0,70 0,88 1,06 1,25
Volumieke massa in kg/m
3

Volumieke massa k
290 310 320 340 350 370 380 400 420 530 560 590 650 700 900
Gemiddelde
volumieke massa
mean 350 370 380 410 420 450 460 480 500 640 670 700 780 840 1080








2) Overeenkomst tussen de visuele sterkteklassen STS-04 en de sterkteklassen EN 338


Visuele sterkteklassen STS 04 S6 S8 S10

Sterkteklasse STS 04*
Elasticiteitsmodulus [N/mm] C5
11000

C6
12000
C6
12000
Sterkte : C3 C5 C6
- buigsterkte [N/mm] 19.0 24.0 28.5
- treksterkte [N/mm] 11.5 14.5 17.0
- druksterkte [N/mm] 19.5 21.5 26.0
- afschuifsterkte [N/mm] 2.1 2.3 2.7

Sterkteklasse CEN EN 338**
Sterkteklasse C18 C24 C27
- buigsterkte [N/mm] 18.0 24.0 27.0
- treksterkte [N/mm] 11.0 14.0 16.0
- druksterkte [N/mm] 18.0 21.0 22.0
- afschuifsterkte [N/mm] 2.0 2.5 2.8
Elasticiteitsmodulus [N/mm] 9000 11000 12000

* STS-04 december 1990
** EN 338 februari 1995

Opmerking : hogere sterktewaarden kunnen worden bekomen met andere
klasseringsmethoden (in het bijzonder door het machinaal sorteren - zie prEN
519)

Bijlage 3.

Factoren
0
,
1
en
2
volgens ENV 1991 - 1.+ NTD




Belasting
0

1

2

Categorie A
1
0.7 0.5 0.3
Categorie B
2
0.7 0.5 0.3
Categorie C
3
0.7 0.7 0.6
Categorie D
4
0.7 0.7 0.6
Categorie E
5
1.0 0.9 0.8
Categorie F
6
0.7 0.7 0.6
Categorie G
7
0.7 0.5 0.3
Categorie H
8
0.0 0.0 0.0
Sneeuwbelasting op gebouwen 0.6
*
0.0 0.0
Windbelasting op gebouwen 0.6
*
0.3 0.0
Temperatuurseffecten (excl. Brand) 0.6
*
0.5
**
0.0


1
Huiselijke, residentile gebouwen ;
2
Kantoren ;
3
Vergaderruimtes, publieke gebouwen, scholen, hotels, theaters, restaurants,
4
Winkelruimtes ;
5
Opslagruimtes ;
6
Verkeers- en parkeerzones voor lichte voertuigen (totaal gewicht 30 kN en aantal zitplaatsen minder dan 8);
7
Verkeers- en parkeerzones voor middelzware voertuigen (30 kN totaal gewicht 160 kN, op twee assen);
8
Dak enkel toegankelijk voor normaal onderhoud, verven, herstellingen;.
*
Wanneer een veranderlijke belasting van korte duur (minder dan 1 maand), bijvoorbeeld opgelegde last,
sneeuwlast, windbelasting, thermische belasting, in een combinatie wordt gevolgd door een andere belasting
van korte duur, mag een waarde
0
= 0,3 worden gebruikt voor deze tweede veranderlijke belasting wanneer
het sneeuw, wind of een luchttemperatuurverandering is.
**
Waarde voor gebouwen, volgens NTD van ENV 1991-2-5.

Bijlage 4.

De visuele klassering volgens STS - 04 (deel 04. Hout)





STERKTEKLASSE
(visuele klassering)
S10 S8 S6
Kwasten :
KAR-in de marginale zone Km
KAR-in de totale zone Kt
1/5
1/5
1/2 of > 1/2
1/3 of > 1/5
1/2 of > 1/2
1/3 of > 1/3
Vezelverloop : 1/10 1/6
Groeiringbreedte : 6 mm 10 mm
Barsten : Oppervlakkige barsten < 300 mm, onbeperkt
Van alle aanwezige barsten per strekkende meter
mag er maar n barst zijn met maximale lengte
zoals hieronder aangegeven;
- niet doorgaande < d < L/4 en max. 600 mm < L/4 en max. 900 mm
- doorgaande = d Enkel op de uiteinden < b Op de uiteinden< 1,5.b
Anders max 600 mm
Wankant: Op de totale lengte
b/4 of d/4 b/3 of d/3
op de uiteinden van n rib over 300 mm
b/3 of d/3 b/2 of d/2
Vervormingen :


- kromming op het vlak in de
lengte
d = 38 mm : 30 mm per 2 m lengte
d 75 mm : 10 mm per 2 m lengte
38 < d < 75 mm : interpoleren

- kromming op het zijvlak in de
lengte
b = 63 mm : 10 mm per 2 m lengte
b 250 mm : 5 mm per 2 m lengte
63 < b < 250 mm : interpoleren

- krom op het vlak in de breedte

1 mm per 25 mm breedte

- scheluwte 1,5 mm per 25 mm breedte per 2 m lengte
Harsgallen en tussenschors
< d
:

Lengte < b onbeperkt
lengte b zie barsten
= d Lengte < b/2 onbeperkt
Lengte b/2 zie barsten
insectenaantasting : Actieve aantasting niet toegelaten
Alleen zwarte wormsteken zijn in beperkte mate
toegelaten
Rot en schimmels :

Niet toegelaten
Verblauwing :

Vrij van rot toegelaten
Mechanische beschadiging :

Gelijkgesteld met andere gebreken
Drukhout :

Niet toegelaten


Sterkteklassen - karakteristieke waarden:


C1 C2 C3 C4 C5 C6 C7 C8 C9 C10
Buiging
f
m, k

12,0 15,0 19,0 21,5 24,0 28,5 38,0 48,0 60,0 75,0
Trek
f
t,0,k

7,0 9,0 11,5 13,0 14,5 17,0 24,0 30,0 38,0 48,0
Druk
f
c,0,k

13,0 15,0 17,5 19,5 21,5 26,0 30,0 38,0 48,0 60,0
Afschuiving
f
v,k

1,7 1,9 2,0 2,1 2,3 2,7 3,8 4,8 6,0 6,0
Elasticiteits-
modulus (gemiddeld)
E
0,M

7000 8000 9000 10000 11000 12000 13500 17000 22000 27000


Verband sterkteklassen visueel sterkteklassen voor verscheidene houtsoorten :

Soorten C1 C2 C3 C4 C5 C6
Europese grenen S6 S6+(*) S8 S10
Europese vuren S6 S6+(*) S8 S10
Douglas Fir lork S6 S8 S10
Hem-Fir S6 S8 S10
Spruce-Pine-Fir S6 S8 S10

Verband met de Noord-Amerikaanse klassen
Douglas Fir-Larch n1/n2 sel
Hem-Fir n1/n2 sel
Spruce-Pine -Fir n1/n2 sel
Western Whitewood n1/n2 sel
Southern Pine n3 n1/n2 sel


(*) S6+ stemt met de Belgische situatie overeen, namelijk n enkele sortering S6
of beter. De klasse S6+ is alleen toepasbaar als de verhouding S6, S8, S10
bekend is. S6+ behoort overeen te stemmen met de volgende samenstelling :

- het gedeelte S6 bedraagt 30 45 %;
- het gedeelte S8 bedraagt minimaal 40 % tot 60 %;
- Het gedeelte S10 bedraagt tussen 0 % en 30 %.

(**) n1, n2, n3 en sel : sorteren volgens NLGA (National Lumber Grades Autority)
1979 of NGRDL (National Grade Rules for Dimension Lumber) 1975.


Bijlage 5.

Sterkteklassen voor gelijmd gelamelleerd hout karakteristieke waarden.



In Belgi worden meestal de drie volgende klassen gebruikt : GL 22, GL 26 en GL 28.
Hun eigenschappen (karakteristieke waarden) zijn in de tabel hieronder gegeven:


GL 22 GL 26 GL 28
Visuele sterkteklasse van de lamellen S6 S8 S10
Sterkteklasse van de lamellen C18 C24 C27
Karakteristieke minimale buigspanning van de vingerlas 26 30 34
Buigspanning f
m,g,k
[N/mm] 22 26 28
Treksterkte evenwijdig met de vezelrichting (||) f
t,0,g,k
[N/mm] 15 17 19.5
Treksterkte loodrecht op de vezelrichting () f
t,90,g,k
[N/mm] 0.35 0.45 0.45
Druksterkte evenwijdig met de vezelrichting (||) f
c,0,g,k
[N/mm] 22 26 28
Druksterkte loodrecht op de vezelrichting () f
c,90,g,k
[N/mm] 4.8 5.3 5.6
Afschuifsterkte [N/mm] 2.0 2.5 2.8
Elasticiteitsmodulus E (buig) [N/mm] 10 000 12 000 12 000
Elasticiteitsmodulus E
0.05
( 5-percentielwaarde) [N/mm] 8 000 9 600 9 600
Glijdingsmodulus G [N/mm] 620 730 780
Volumieke massa
g,k
[kg/m] 360 400 428
Gemiddelde volumieke massa
g,mean
[kg/m] 380 420 450

Voor andere sterkteklassen wordt verwezen naar prEN 1194 of kan men de volgende formules
gebruiken :

f
m,g,k
= 12 + f
t,0,l,k

f
t,0,g,k
= 9 + 0,75 . f
t,0,l,k

f
t,90,g,k
= 1,15 . f
t,90,l,k

f
c,0,g,k
= (1,5 - 0,01 . f
c,0,l,k
) . f
c,0,l,k

g,k
= 0,95 .
l,mean

g,mean
=
l,mean

waarin f
t,0,l,k
resp.f
t,90,l,k
de treksterkte zijn evenwijdig resp. loodrecht op de vezelrichting ;
l,mean
is de gemiddelde

volumieke massa van de lamellen.


Bijlage 6.

Mechanische eigenschappen en zwelling van spaanplaten volgens
prEN 312-4, 312-5 , 312-6, 312-7.


Dragende platen voor gebruik in klimaatklasse 2 (prEN 312-5) :

Eis
diktes( nominaal, in mm )
3 >4 >6 >13 >20 >25 >32
>40
Karakteristiek
Test
methode

4 6 13 20 25 32 40
Buigweerstand EN 310 N/mm
2
20 19 18 16 14 12 10 9
Elasticiteits-
modulus in buiging
EN 310 N/mm
2
2 550 2 550 2 550 2 400 2 150 1 900 1 700 1 550
Loodrechte
trekvastheid
EN 319 N/mm
2
0,50 0,50 0,45 0,45 0,40 0,35 0,30 0,25
Diktezwelling na 24
uren
EN 317 % 13 12 11 10 10 10 9 9
NOTA 1: De waarden van de buigweerstand en de loodrechte trekvastheid gelden bij een vochtgehalte van het
materiaal dat overeenstemt met een omgeving van 65 % vochtigheid en een temperatuur van 20 C.
De waarden van de diktezwelling zijn bepaald op een materiaal voor proef geconditioneerd bij een vochtigheid van
65% en een temperatuur van 20C.
NOTA 2: Indien de platen gebruikt worden voor een specifieke toepassing in vloeren, wanden of dakpanelen dan
dient de betreffende norm te worden geraadpleegd en kunnen bijkomende eisen worden gesteld.



Dragende platen met verhoogde weerstand voor gebruik in klimaatklasse2 (prEN 312-7) :


Eis
Diktes ( nominaal, mm )
6 > 13 >20 > 25 >32
>40
Karakteristiek
Test
methode

13 20 25 32 40
Buigweerstand EN 310 N/mm
2
22 20 18,5 17 16 15
Elasticiteits-
modulus in buiging
EN 310 N/mm
2
3 350 3 100 2 900 2 800 2 600 2400
Loodrechte
trekvastheid
EN 319 N/mm
2
0,75 0,70 0,65 0,60 0,55 0,50
Diktezwelling na 24
uren
EN 317 % 9 8 8 8 7 7
NOTA 1: De waarden van de buigweerstand en de loodrechte trekvastheid gelden bij een vochtgehalte van het
materiaal dat overeenstemt met een omgeving van 65 % vochtigheid en een temperatuur van 20 C.
De waarden van de diktezwelling zijn bepaald op een materiaal voor proef geconditioneerd bij een vochtigheid van
65% en een temperatuur van 20C.
NOTA 2: Indien de platen gebruikt worden voor een specifieke toepassing in vloeren, wanden of dakpanelen dan
dient de betreffende norm te worden geraadpleegd en kunnen bijkomende eisen worden gesteld.





Dragende platen voor gebruik in klimaatklasse1 (prEN 312-4) :


Eis
Diktes ( nominaal, mm )
3 > 4 > 6 >13 >20 >25 >32
>40
Karakteristiek
Test
Methode

4 6 13 20 25 32 40
Buigweerstand EN 310 N/mm
2
15 17 17 15 13 11 9 7
Elasticiteits-
modulus in buiging
EN 310 N/mm
2
1 950 2 200 2 300 2 150 1 900 1 700 1 500 1 200
Loodrechte
trekvastheid
EN 319 N/mm
2
0,45 0,45 0,40 0,35 0,30 0,25 0,20 0,20
Diktezwelling na 24
uren
EN 317 % 23 19 16 15 15 15 14 14
NOTA 1: De waarden van de buigweerstand en de loodrechte trekvastheid gelden bij een vochtgehalte van het
materiaal dat overeenstemt met een omgeving van 65 % vochtigheid en een temperatuur van 20 C.
De waarden van de diktezwelling zijn bepaald op een materiaal voor proef geconditioneerd bij een vochtigheid van 65%
en een temperatuur van 20C



Dragende platen met verhoogde weerstand voor gebruik in klimaatklasse 1 (prEN 312-6) :


Eis
Diktes ( nominaal, mm )
6 >13 >20 >25 >32
>40
Karakteristiek
Test
Methode

13 20 25 32 40
Buigweerstand EN 310 N/mm
2
20 18 16 15 14 12
Elasticiteits-
Modulus in buiging
EN 310 N/mm
2
3 150 3 000 2 550 2400 2200 2050
Loodrechte
trekvastheid
EN 319 N/mm
2
0,60 0,50 0,40 0,35 0,30 0,25
Diktezwelling na 24
uren
EN 317 % 15 14 14 14 13 13
NOTA 1: De waarden van de buigweerstand en de loodrechte trekvastheid gelden bij een vochtgehalte van het
materiaal dat overeenstemt met een omgeving van 65 % vochtigheid en een temperatuur van 20 C.
De waarden van de diktezwelling zijn bepaald op een materiaal voor proef geconditioneerd bij een vochtigheid van 65%
en een temperatuur van 20C


Bijlage 7.

Organigram van de vereenvoudigde berekening van vakwerken met
hechtplaten.



Bepaling van de
belastingsgevallen
Berekening van de normaalkracht
in de onderdelen op basis van
scharnierende knopen
Berekening van de momenten
in onderdelen met n
een veld op basis van
scharnierende eindknopen
Berekening van de momenten
in de doorlopende onderdelen
als een doorlopende ligger
gesteund op de knopen
Reductie van de
momenten in de knopen
met 10%: M
red
Herbepaling van de momenten in
de velden , rekening houdend
met M
red
Einde
N
i
M
in
M
i1
Vakwerk, geometrie
Nazicht van de
elementen en
verbindingen

Voor elke
belastingsgeval

Bijlage 8.

k
c
waarden in functie van de kniklengten en de sterkteklassen.


C18 C22 C24 C27 C30 GL20 GL22 GL24 GL26 GL28
E
0,05
N/mm
6000 6700 7400 8000 8000 8000 8000 8800 9600 9600
f
c,o,k
N/mm

18 20 21 22 23 21 22 24 26 27
30 0,994 0,994 0,998 1,000 0,997 1,001 1,000 1,000 1,000 0,999
40 0,933 0,933 0,941 0,945 0,939 0,975 0,971 0,972 0,972 0,970
50 0,832 0,833 0,849 0,857 0,845 0,924 0,915 0,917 0,918 0,911
60 0,691 0,693 0,715 0,729 0,709 0,819 0,799 0,802 0,805 0,788
70 0,552 0,554 0,577 0,591 0,571 0,668 0,644 0,648 0,652 0,632
80 0,441 0,443 0,463 0,476 0,458 0,533 0,512 0,516 0,519 0,501
90 0,358 0,359 0,376 0,387 0,372 0,430 0,412 0,415 0,418 0,403
100 0,295 0,296 0,310 0,319 0,307 0,353 0,338 0,340 0,342 0,330
110 0,247 0,248 0,260 0,268 0,257 0,294 0,281 0,283 0,285 0,275
120 0,209 0,210 0,221 0,227 0,218 0,249 0,238 0,239 0,241 0,232
130 0,180 0,180 0,189 0,195 0,187 0,213 0,203 0,205 0,206 0,199
140 0,156 0,157 0,164 0,169 0,162 0,184 0,176 0,177 0,179 0,172
150 0,136 0,137 0,144 0,148 0,142 0,161 0,154 0,155 0,156 0,150
160 0,120 0,121 0,127 0,131 0,126 0,142 0,135 0,137 0,137 0,132
170 0,107 0,108 0,113 0,117 0,112 0,126 0,120 0,121 0,122 0,118
180 0,096 0,096 0,101 0,104 0,100 0,112 0,107 0,108 0,109 0,105
190 0,086 0,087 0,091 0,094 0,090 0,101 0,097 0,097 0,098 0,094
200 0,078 0,078 0,082 0,085 0,081 0,091 0,087 0,088 0,089 0,085
210 0,071 0,071 0,075 0,077 0,074 0,083 0,079 0,080 0,080 0,078
220 0,065 0,065 0,068 0,071 0,068 0,076 0,072 0,073 0,073 0,071
230 0,059 0,060 0,063 0,065 0,062 0,069 0,066 0,067 0,067 0,065
240 0,055 0,055 0,058 0,060 0,057 0,064 0,061 0,061 0,062 0,060
250 0,050 0,051 0,053 0,055 0,053 0,059 0,056 0,057 0,057 0,055