Anda di halaman 1dari 7

Bijlage E Format verslag voortgangsgesprek

Naam en klas
student:

Naam SLB:
Astrid van den Broek

Naam
Werkplekbegeleider:
Eline van Delft

Joyce van Hoof


PEH15VC
Stagegroep:

Datum:

Groep 7

7-4-2016

Werkplek (naam
school):
Agnetendal

1. Wat is er besproken m.b.t. je persoonlijke leerdoel(en)?


In het gesprek samen met mijn mentor en stagebegeleidster zijn
verschillende punten aan bod gekomen. Ik heb een grote oversprong
gemaakt van groep 3 naar groep 7. De manier waarop je praat met de
kinderen in groep 7 zit op een ander niveau dan in groep 3. Hier had ik in
het begin nog even moeite mee. Mijn mentor schreef dat dan wel eens op
bij mijn feedback. Ik vond het fijn dat ik hier dan aan kon werken. Ik lette
op mijn taalgebruik en de manier van praten. Mijn mentor gaf aan dat ik in
die weken waarmee ik met dit leerdoel gewerkt hebt wel ben gegroeid. Ze
zei dat het af en toe ook lastig is om deze terugkoppeling te pakken en dat
je daar gewoon goed op moet letten dat je het niet te makkelijk maakt
voor de kinderen.
Het leerdoel waar ik deze hele periode aan heb gewerkt is; "Ik zorg voor
een kort en krachtige uitleg, zodat de kinderen daarna succesvol aan de
slag kunnen gaan".
Vanuit groep 3 had ik dit leerdoel meegenomen. Het was vooral belangrijk
in groep 7 dat ze een kort en krachtige uitleg kregen. Mijn mentor vertelde
dat ze meestal iets van 10 minuten instructie geeft en daarna kunnen de
kinderen aan de slag. Omdat ik vooral in het begin heel erg was van
duidelijkheid, en ik wilde er voor zorgen dat de kinderen het helemaal
snapte, duurde mijn instructie vaak langer. Ik heb tijdens mijn lessen aan
dit leerdoel gewerkt en mijn mentor en ik zien hier allebei vooruitgang in.
Ik heb geleerd om de belangrijkste punten van een instructie eruit te
pakken en deze te behandelen. Vaak weten de kinderen al meer dan ik
denk. Ook hebben ze vaak al stof ooit behandeld. Deze stof hoef ik dan in
de instructie niet helemaal uitgebreid te behandelen en daarom kan ik dan
een aantal dingen overslaan.

2. Geef voor de kritische handelingen van jouw fase kort de


essentie van de bespreking weer:
Kritische handeling A.1 Bespreken van en omgaan met regels
2.1 fysiek en sociaal- emotioneel veilige leeromgeving
(de student maakt zichtbaar welke regels er in de groep gelden en toont
aan dat hij de regels kan hanteren ten behoeve van het realiseren van een
fysiek en sociaal-emotionele veilige leefomgeving)
In de klas werken ze vaak met de regel "NOISE". Dit is tijdens het
samenwerken. Op het bord hangen er 5 letters, namelijk "NOISE".
Wanneer de kinderen niet goed aan het werk zijn of praten in plaats van
fluisteren gaat er een letter van af. Dit is een waarschuwing voor de
kinderen. Ze krijgen dus 3 kansen en anders komt er "NO" te staan. Dit
bekend dat de kinderen dan niet meer mogen samenwerken en voor
zichzelf aan het werk moeten gaan. Ik heb met deze regel ook een aantal
keren gewerkt tijdens het samenwerken. De kinderen weten precies hoe
deze regel gaat dus ik hoef dat niet uit te leggen. Wel vertel ik dat we in
deze les hiermee gaan werken.
Verder hebben de kinderen ook nog allemaal andere standaard regels in
de groep. Ik weet door gesprekken van mijn mentor en bevindingen voor
in de groepstypering hoe ik met deze regels om moet gaan.
Uit het boek Ontwikkeling in de groep heb ik gelezen dat de psycholoog
Gielis veiligheid in de groep opsplitsen in 3 basisbehoeften, namelijk;
- Relatie
- Invloed hebben
- Persoonlijk contact
Zoals verschillende theorien en modellen al duidelijk maakten, is
veiligheid de eerste voorwaarde voor een positieve groei. Met een basis
van veiligheid kan het kind gaan exploreren en leren en ontwikkeld het
een positief zelfgevoel.
Kritische handeling A.3 Leiding geven aan het groepsproces
1.1 zicht op groepjes leerlingen
1.3 effectieve leerkrachtcommunicatie
(de student toont aan dat hij samenwerkend/coperatief leren tijdens de
onderwijsactiviteiten bevordert en laat expliciet zien dat hij kinderen
aanspreekt op gedrag, hen positief stimuleert en zicht houdt op alle
groepjes leerlingen.
Terwijl ik de leiding neem over de kinderen en mijn les geef, pas ik
efectieve leraarcommunicatie toe. Hoe je deze efectieve
leraarcommunicatie toepast is tijdens de lessen van PPO veel aan de orde
gekomen.
2

Het puntje contactname is erg belangrijk bij het zicht krijgen op groepjes
leerlingen.
Contactname, bij dit punt is het belangrijk dat je de emoties van de
kinderen aanvoelt. Het is daarom dan ook een kunst om je daarbij aan te
kunnen passen. Je praat op dat moment op het niveau van de kinderen en
dat zij het fijn vinden om behandeld te willen worden.
De vier universele emoties kwam ik tegen in het boek 'Het verhaal van het
kind'. Hierin staat vermeld dat er wel honderden emoties bestaan, die op
diverse manieren ingedeeld kunnen worden. Ekman (1992) ontdekte vier
emoties die door mensen over de hele wereld herkend werden, ongeacht
de taal die ze spreken, in welke omstandigheden ze opgroeien, welke
opvoeding ze hebben gehad of in welke cultuur ze leven. Door specifieke
gelaatsuitdrukkingen en lichaamstaal worden bepaalde emoties herkend.
Deze vier emoties worden dan ook de universele of kernemoties genoemd.
Vrees leidt tot het gevoel bang, woede leidt tot het gevoel boos, vreugde
leidt tot het gevoel blij en verdriet leidt tot het gevoel verdrietig.
Kinderen moeten in een groep met elkaar om kunnen gaan. Doormiddel
van gevoelens uiten ze hun emoties. Het is belangrijk dat kinderen kunnen
zijn wie ze willen zijn. Daarnaast moeten ze leren samenwerken met
verschillende kinderen in de groep. Dit heb ik gezet in mijn overdenking
van de groep. Aan de hand van de sociogrammen heb ik gemerkt dat
jongens bijvoorbeeld niet graag met meiden werken in de groep, en
andersom. Toch vindt ik het belangrijk dat kinderen hier ook mee leren
omgaan.
Tijdens de natuur les waren er een aantal kinderen met een andere
meester mee. Zij kwamen halverwege de les binnen. Ik heb tegen deze
kinderen gezegd wat de opdracht was en wat ze moesten doen. Als eerste
moesten ze groepjes maken van 2. De kinderen gingen aan de slag maar 1
jongen en 1 meisje kwamen naar mij toe. "Juf wij hebben niemand" zeiden
ze allebei. Ik vertelde dat deze kinderen dan samen konden gaan werken.
Ze keken niet zo blij. Ze vonden het kennelijk niet leuk en vroegen; "Juf
moet dit echt?". Ik heb uitgelegd dat dit een samenwerkingsopdracht is en
dat deze 2 kinderen nog over zijn, ze moeten dus samen werken. De
kinderen gingen bij elkaar zitten, daarna gingen ze aan het werk. Het was
voor mij fijn dat de kinderen toch deden wat ik vroeg, en ook al waren ze
er niet helemaal tevreden mee, ze hebben wel de opdrachten gemaakt.
Kritische handeling A.4 Interactie aangaan met de groep
3.12 feedback aan leerlingen
(de student toont aan dat hij vanuit een onderzoekende houding
gesprekken voert met de leerlingen door actief te luisteren. De student
evalueert de onderwijsactiviteiten met kinderen en hij geeft feedback aan
leerlingen op het samenwerkingsproces en/of op de gestelde leerdoelen
(proces en product)

Over het algemeen is bij het begeleiden van kinderen een positieve
benadering aan te bevelen. Succeservaringen maken dat kinderen goed
en snel leren en eerder is al gezegd dat kinderen positieve feedback beter
kunnen verwerken dan negatieve. Dit is in overeenstemming met de
klassieke leertheorie volgens welke kinderen gedrag opnieuw en vaker
vertonen wanneer dat gedrag positief bekrachtig wordt. (Crone, 2008).
Uit deze theorie van 'ontwikkeling in de groep' haal ik punten uit over het
positief benaderen van de kinderen. Ik probeer de kinderen daarmee een
succeservaring te laten ervaren zodat de kinderen goed en snel hiervan
leren.
Het ligt aan de les hoe we het gaan evalueren. Ik betrek alle kinderen er
altijd bij. De kinderen hebben een rekenles gehad over meten/meetkunde.
Bij deze les hebben ze in groepjes samengewerkt, ze hebben buiten
verschillende objecten moeten opmeten. Achteraf bespreken we met zijn
alle hoe de samenwerking verlopen is. Dit is dus een procesdoel waar we
op evalueren. De kinderen kunnen elkaar ook beoordelen. Het is goed dat
de kinderen het niet alleen van de juf horen maar ook van andere
medeleerlingen. Kinderen hebben er misschien weer een ander inzicht in
en brengen de feedback meestal positief in plaats van negatief. Daarnaast
bespreken we de productdoelen ook nog.
Kritische handeling B.1 Leerdoelen stellen
3.4 passende leerinhouden vanuit leerlijnen
3.11 leerprocessen observeren en registreren
(de student kiest in zijn lesontwerp voor passende leerdoelen (proces en
product) die aansluiten bij leerlijnen en het bestaande
onderwijsprogramma van de stagegroep. Voor elk, aan dit OGP
deelnemend, vak wordt tenminste n les ontworpen en uitgevoerd.)
Leren kent altijd een inhoud. Dat zegt de deskundige Romiswoski (1987).
Deze leerinhoud kan bestaan uit informatie, vaardigheden, houdingen,
gevoelens, competenties en bewegingen. Romiswoski maakt ten aanzien
van de leerinhoud onderscheid n vaardigheden(skills) en kennis.
Het is daarom belangrijk dat wanneer ik de doelen opstel voor de kinderen
er een product en proces doel in zitten. Met samenwerken kun je werken
aan je vaardigheden en met de stof die we dan behandelen werken we
aan de kennis.
Kritische handeling B.2 Leeractiviteiten ontwerpen
3.6 werkvormen en groeperingvormen
4.5 leeromgeving inrichten
(de student toont in het ontwerp aan dat hij coperatieve werkvormen
hanteert. De student maakt zichtbaar dat hij voor aanvang van de
lesactiviteiten benodigde materialen en leermiddelen klaarzet.)
Coperatieve werkvormen zijn de werkvormen die gebruikt worden bij
coperatief leren. Er zijn in totaal zeventien werkvormen. Deze
4

werkvormen stimuleren het samenwerken. Vaardigheden die aan de orde


komen zijn bijvoorbeeld: luisteren, hulp geven, overleggen en
aanmoedigen. De werkvormen kunnen op verschillende momenten van de
les ingezet worden, bijvoorbeeld om voorkennis te activeren, als
verwerkingsactiviteit of als reflectieopdracht. Sommige werkvormen zijn
alleen geschikt voor bepaalde leeftijdsgroepen, andere werkvormen
kunnen van groep 1 tot en met groep 8 ingezet worden. "ontwikkeling in
de groep, Coutinho".
Het is dus belangrijk dat de kinderen met werkvormen aan de slag gaan
die bij de groep past. In groep 7 kun je hier veel mee doen. Kinderen uit
deze klas vinden het leuk om samen te werken. Ze werken het liefst
samen met vriendjes en vriendinnetjes. Tijdens zo'n coperatieve
werkvorm kunnen de kinderen van elkaar leren. Tijdens mijn lessen heb ik
veel met deze samenwerkingsvormen gewerkt. In 2-tallen maar ook in
groepjes. Je kunt dan de groepjes zo groot maken als je zelf wilt. Ik heb bij
het maken van de groepjes vooral na het sociogram gekeken wat ik had
afgenomen in deze groep. Kinderen hebben daarin aangegeven met wie
ze het fijn vinden om mee samen te werken. Vanuit hieruit kon ik dan
groepjes maken. Natuurlijk heb ik niet iedere keer deze groepjes gepakt,
maar heb ik ook uitdading hierin gezocht. Het is ook belangrijk dat
kinderen werken met kinderen waarmee ze eigenlijk liever niet zo graag
samenwerken.
Om tot een goede groepsprestatie te komen, is het van belang dat er goed
wordt samengewerkt en dat de groepsleden ook graag willen
samenwerken met elkaar. Juist in deze fase van de groepsontwikkeling
speelt samenwerken een grote rol. In iedere groep moet worden
samengewerkt. Johnson en Johnson (2008), noemen een aantal factoren
die efectieve samenwerking binnen groepen volwassenen mogelijk
maken.
Kritische handeling B.3 Leeractiviteiten begeleiden
2.6 Samenwerking, zelfredzaamheid
(De student toont aan dat hij in staat is om in de lesuitvoering
coperatieve werkvormen te hanteren. De student toont aan dat hij
leerlingen hulp biedt bij het leerproces, rekening houdend met de
kenmerken van de groep. Hij bevordert de samenwerking tussen
leerlingen en de redzaamheid van individuele leerlingen.
Hoewel leren zich strikt genomen ontdekt aan onze waarneming, kunnen
leerprocessen geanalyseerd worden met behulp van gedag dat met leren
gepaard gaat of dat voorwaarde is om tot leren te komen. Om leerlingen
te leren hun eigen leerproces te regelen, oftewel zelfregulerend te leren, is
het voor leraren handig om te weten hoe leerprocessen werken, wat daar
aan te leren valt en hoe dat het beste kan. We bespreken twee
benaderingen die hierbij kunnen helpen (Boekaerts & Simons, 2003):
- Drie soorten leeractiviteiten kunnen gebruiken
- Het vervullen van leerfuncties
5

1. Cognitieve leeractiviteiten. Dit zijn uitvoerende activiteiten die te maken


hebben met de verwerving en verwerking van informatie, bijvoorbeeld
begrijpend lezen, schematiseren, memoriseren.
De kinderen in de klas weten de regels. Zo weten ze ook wat de regels zijn
tijdens het mee lezen van de tekst in het leesboek met een les. Als de
kinderen niet weten waar ze zijn terwijl ze de beurt krijgen dan moeten ze
de tekst overschrijven. Dit is al bekend bij de kinderen omdat de juf
hiermee ook werkt. Zo kunnen de kinderen het beste de tekst verwerken.
2. Afectieve leeractiviteiten. Dit zijn uitvoerende activiteiten waarmee je
je leerproces emotioneel ondersteunt. Ze hebben te maken met
zelfdiscipline, bijvoorbeeld jezelf motiveren, je aan de planning houden, je
aandacht bij het werk houden ondanks je emoties.
Ik vind dat dit hoort bij professionele houding omdat de kinderen je toch
als een voorbeeld zien. Je moet je dan ook gedragen als een goed
voorbeeld.
3. Metacognitieve leeractiviteiten. Dit zijn regulerende activiteiten ,ook wel
strategien genoemd en ze sturen de cognitieve en afectieve activiteiten.
Bijvoorbeeld denken dat je door leren hogerop kunt komen, jezelf afvragen
in hoeverre je je doel bereikt hebt, bijsturen, beslissen dat je bepaalde
vragen gaat stellen, jezelf bewust maken van je verwachtingen en
ondanks tegenvallende resultaten vertrouwen in jezelf houden. Deze soort
activiteiten heten metacognitief omdat de lerende als het ware vanuit een
helikopterpositie toezicht houdt op de uitvoering van zijn cognitieve en
afectieve activiteiten. Hij blijft zich op die manier bewust van het verloop
en de kwaliteit van zijn leerproces en kan deze zo nodig aanpassen.
Leerfuncties zijn psychologische functies die in een leerproces
gerealiseerd worden. Voorbeelden van leerfuncties zijn: het richten van de
aandacht, stellen van leerdoelen, het begrijpen van informatie en het
controleren van leerresultaten. Ze kunnen door verschillende manieren
vervuld worden door de leerling, de docent, het studiemateriaal en de
medeleerlingen.
Omdat ik verschillende les heb gegeven heb ik ook verschillende
leerdoelen gesteld. Voor sommige kinderen is zo'n leerdoel dan
makkelijker te behalen dan een ander kind. Ik zorg ervoor dat deze
kinderen extra instructie krijgen, of extra hulp. Voor de andere kinderen
moet je dan zorgen dat het niet te makkelijk wordt en dat je uitdaging voor
ze hebt. Dit heeft alles te maken met het richten van de aandacht.
3. Welke belangrijke conclusies zijn getrokken en welke
afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het vervolg?
De volgende periode kan ik mij verder gaan verdiepen in lesovergangen. Ik
was hier al af en toe mee bezig. Ik kan bijvoorbeeld meer lessen achter
6

elkaar gaan geven. Ook ga ik opzoek naar een ander leerdoel waar ik me
het laatste blok van het eerste jaar mee bezig ga houden. Samen met mijn
mentor ga ik dat bespreken en ik hoop dan nog een laatste leerzaam blok
van de P-fase te gaan mee maken. Maar daar ben ik wel van overtuigd dat
dit goed gaat komen. Mijn mentor helpt me namelijk goed en geeft mij
fijne feedback. Ze geeft me feedback waar ik veel mee kan doen voor de
volgende lessen en ook feedback wat erg goed ging, en daar word je altijd
vrolijk van!
4. Overige op- en aanmerkingen die tijdens het gesprek zijn
gemaakt:
Het is een erg leuke klas en ik heb een goede samenwerking met mijn
mentor. Alles verloopt prima. Eventueel extra aandacht besteden aan
theorie verdiepingen.

Datum ondertekening:
Voor akkoord:
akkoord:
(student)

Voor akkoord:
(werkplekbegeleider/
schoolcoach)

Voor
(SLB)