Anda di halaman 1dari 46

I

149

KOELIEORDONNANTIES

Oostkust van Sumatra


Atjeh en Onderhoorigheden
en Tapanoeli

A . V . R. O. S.

ITVP. VAHEKAMP * CL. MEPWH


KOELIEORDONNANTIES

OOSTKUST VAN SUMATRA

ATJEH EN ONDERHOORIGHEDEN

EN TAPANOELI

A, V. R, 0. &
KOELIEORDONNANTIE
OOSTKUST V A N S U M A T R A

Vastgesteld bij Staatsblad 1915 No. 421

en sindsdien gewijzigd

bij Stbld. 1917 No. 497, 1920 No. 535, 1921 No. 39,

1924 N o . 513, 1925 No. 201 en 1925 No. 311.


A r t i k e l 1. Onverminderd het bepaalde bij de artikelen
11 en 14 der wervingsordonnantie (Staatsblad 1914 No. 613)
kunnen, ten behoeve van ondernemingen van handel, landbouw
of nijverheid — voor zoover naar het oordeel van den directeur
van Justitie de onderneming niet onder den kleinen land- of
tuinbouw gerangschikt of als een kleinbedrijf aangemerkt
moet worden, — zoomede ten behoeve van openbare werken,
en van den aanleg en de exploitatie van spoor-en tramwegen,
werklieden in dienst worden genomen, krachtens een schrif-
telijke werkovereenkomst, aangegaan op den voet van en
met de gevolgen omschreven in deze ordonnantie.

A r t i k e l 2. Voor de toepassing van deze ordonnantie


wordt verstaan onder :
a. w e r k g e v e r : de in Nederlandsch-Indië gevestigde
natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft als
bedoeld in artikel 1, of, indien deze niet in Nederlandsch-
Indië gevestigd is, diens aldaar bij authentieke akte aangestelde
vertegenwoordiger.
Waar in deze ordonnantie de term „Onderneming" wordt
gebezigd, omvat deze mede „openbare werken" en „aanleg
en exploitatie van spoor- en tramwegen", als bedoeld in
artikel 1 ;
b. b e h e e r d e r : de persoon, die belast is met de recht-
streeksche leiding van de onderneming in haren geheelen
omvang of van een op zich zelf staand gedeelte daarvan ;
c. w e r k m a n o f w e r k l i e d e n : de tot de Inlandsche
of daarmede gelijkgestelde bevolking behoorende volwassen
mannelijke of vrouwelijke koelies en ambachtslieden, die bij
eene werkovereenkomst zich tot het verrichten van arbeid
hebben verbonden en geen deel uitmaken van de inheemsche
bevolking van het gewest, waarin de onderneming van den
werkgever is gelegen ;
tot de inheemsche bevolking worden mede gerekend de
in het gewest geboren en aldaar gevestigde afstammelingen
van van buiten het gewest afkomstige Inlanders;
d. i r a m i g r a t i - c o n t r a c t : de schriftelijke werkover-
eenkomst, welke buiten het gewest wordt aangegaan of welke
voor de eerste maal i n h e t g e w e s t wordt gesloten met
werklieden, die van een plaats daarbuiten zijn gekomen of
aangebracht ;
r e ë n g a g e m e n t s-c o n t r a c t : de schriftelijke werk-
overeenkomst, welke in alle andere gevallen in het gewest
wordt gesloten ;
e. g e z i n : de man en de vrouw, die zich bij het sluiten
van een werkovereenkomst als elkanders echtgenooten hebben
opgegeven, met nog niet-volwassen kinderen van een hunner
of van hen beiden, zoomede de man en de vrouw, die tijdens
den duur der werkovereenkomst gehuwd zijn met de nog niet
volwassen kinderen van een hunner of van hen beiden.

Artikel 3. (1). De werkovereenkomsten worden gesloten


voor een bepaald aantal achtereenvolgende jaren of maanden,
gerekend van de dagteekening der acte, en wel voor den
duur van ten hoogste drie jaren voor een immigratie-contract
en ten hoogste dertien maanden voor een reëngagements-
contract met dien verstande, dat bij ondernemingen van land-
bouw, wanneer het betrokken oogstjaar nog niet is afgeloopen,
de loopende reëngagements-contracten van rechtswege voort-
duren tot het einde van dit oogstjaar, desnoodig ter beoordee-
ling van het Hoofd van plaatselijk bestuur, zonder evenwel
den duur van achttien maanden te mogen overschrijden.
(2) . D e tijd, gedurende welken de werkman niet heeft
gewerkt wegens ziekte, verminderd met een tiende gedeelte
van den duur der werkovereenkomst, en de tijd, welken hi;
heeft verzuimd wegens verlof dan wel wegens desertie, als-
mede de dagen, gedurende welke hij vrijheidsstraf heeft onder-
gaan, worden bij de berekening van den duur der verrichte
diensten of van de overeenkomst niet medegeteld. Evenmin
worden daar bij medegerekend de dagen, waarop de werkman
zonder geldige reden het werk heeft verzuimd. Bij de bere-
kening van den in deze alinea bedoelden tijd wordt het jaar
op 360 dagen en de maand op 30 dagen gesteld.
(3) . D e ziektedagen, welke niet zijn doorgebracht in
- 7 -

een door het Hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen


ziekeninrichting, worden, behoudens de in artikel 4 alinea 8
derde lid gemelde gevallen, als verlofdagen aangemerkt.

(4) . In geen geval mag de verlengde duur der dienst-


betrekking het één derde gedeelte van den overeengekomen
contractduur overschrijden.
(5) . V a n de dagen, waarop niet is gewerkt, en van de
redenen, waarom geen werk is verricht, wordt op door
het Hoofd van gewestelijk bestuur voorgeschreven wijze door
den beheerder aanteekening gehouden en maandelijks opgaaf
gedaan aan een door dat Bestuurshoofd aan te wijzen ambtenaar.
(6) . V a n de verplichtingen, bedoeld in het vorig lid, kan
door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur geheel of gedeeltelijk
ontheffing worden verleend voor ondernemingen, waarvan
de beheerder zich te voren schriftelijk heeft verbonden af-
stand te doen van het recht om de werklieden de in lid
(2) en (3) van dit artikel bedoelde dagen, waarop zij niet
hebben gewerkt, te laten nawerken.

Artikel 4. D e werkovereenkomsten vermelden:


1. den naam, den ouderdom (naar gissing), de plaats
van oorspronkelijke herkomst, den landaard en zoo mogelijk
den stam van den werkman, c.q. de werklieden, alsmede
den naam van de echtgenoote.
2. Den naam van den werkgever, den naam van diens
onderneming(en) waarvoor de werkman is gehuurd, zoomede
van de afdeeling(en), waarin de onderneming(en) ligt (liggen).
3 a. de soort van arbeid, waarvoor de werkman is
aangenomen en het aantal werkuren, hetwelk
le. bij bovengrondschen arbeid niet meer zal mogen bedra-
gen dan tien per etmaal, indien deze wordt verricht tus-
sche 5 /» uur des voormiddags en 6 uur des namiddags
1

en acht per etmaal, indien de arbeid geheel of gedeel-


telijk tusschen 6 uur 's namiddags en 57a uur des voor-
middags wordt verricht;
2e. indien de arbeid geheel of gedeeltelijk (d.i. gedurende
ten minste vier uur) onder den grond plaats vindt, niet
meer zal mogen bedragen dan acht en een half per
- 8 -
etmaal, waarbij de ondergrondsche arbeid berekend
wordt vanaf het betreden tot het verlaten van den
ingang der ondergrondsche werken.

b. V o o r werklieden bij spoor- en tramwegondernemingen


voor publiek verkeer in exploitatie kan, voorzoover zij be-
stemd zijn voor diensten op den weg, de stations en de trei-
nen, de werkovereenkomst een diensttijd van twaalf uren per
etmaal voorschrijven.
c. De werkovereenkomst, aangegaan ten behoeve van
de in de vorige alinea bedoelde ondernemingen, kan voor
alle werklieden zonder onderscheid mede bepalingen inhou-
den, die in buitengewone omstandigheden, bij voorkomende
ongevallen of ter verzekering van de veiligheid en de regel-
matigheid van het verkeer, tot langeren dienst- of werktijd
verplichten tegen een loon per uur, gelijk aan 15,100 dan wel
15/120 van het gewone dagloon, al naarmate de bij de werk-
overeenkomst vastgestelde diensttijd tien of twaalf uren per
etmaal bedraagt.
d. Onder het aantal overeengekomen werkuren moet
mede worden geteld de tijd, gedurende welken de werkman
voor extra werkzaamheden wordt gebezigd, als transporten,
wachtdiensten, enz., alsmede de tijd, welke noodig is voor
het rollen en indeelen van de werklieden, en om den afstand
af te leggen bij het begin van den werkdag van de woning
van den werkman tot de plaats zijner tewerkstelling en, na
afloop van den arbeid, van de plaats zijner tewerkstelling
tot aan zijn woning. Hetzelfde geldt voor mijnarbeid met
dien verstande, dat bij ondergrondschen arbeid het rollen en
indeelen, mits bovengronds geschiedende, en het afleggen van
den afstand van de woning tot den ingang der ondergrondsche
werken en terug, een en ander samen tot een maximum van
P/s uur, niet in mindering komt van de & j. uur, hiervoren
l
2

onder a vermeld.
e. D e werkman kan niet gedwongen worden meer dan
6 achtereenvolgende uren te arbeiden; de rusttijd bedraagt
ten minste één uur. T e n aanzien van werklieden bij spoor-
en tramwegondernemingen voor publiek verkeer in exploitatie,
alsmede bij mijnbouwondernemingen, kan van dit voorschrift
- 9 -

met toestemming van het Hoofd van gewestelijk bestuur worden


afgeweken.
4. Het loon voor overwerk, zijnde de arbeid buiten het
aantal overeengekomen uren per etmaal, hetwelk alleen kan
worden verricht op verzoek van den beheerder en met toe-
stemming van den werkman.
Voor werklieden bij ondernemingen tot exploitatie
van havenwerken en kolenstations, alsmede bij het door
scheepsagenturen uitgeoefend bedrijf, kan de werkovereen-
komst mede bepalingen inhouden, welke hen in buitengewone
omstandigheden, wanneer de belangen van de scheepvaart
dit bepaald noodzakelijk maken, verplichten tot een langeren
werktijd van ten hoogste twee boven het bij de werkover-
eenkomst gewoon aantal werkuren per etmaal, tegen een loon
per uur van ten minste 15/100 van het gewone dagloon.
Van de dagen, waarop en van den tijd gedurende wel-
ken de arbeider dit overwerk heeft verricht, wordt door den
beheerder op de door het Hoofd van gewestelijk bestuur
aangegeven wijze aanteekening gehouden en maandelijks op-
gaaf gedaan aan het Hoofd van plaatselijk bestuur,
5. Het bedrag van het aan den werkman toekomend
loon, hetwelk per dag arbeids moet worden vastgesteld en
als basis van berekening dient bij het werken in dagtaak,
zoomede bij het werken op stukloon, en in aanneming, ten-
zij hieromtrent contractueel anders is overeengekomen, en
overigens de wijze, waarop de loonen worden uitbetaald,
met dien verstande, dat de werkman recht heeft op het
bedongen dagloon op de bij de overeenkomst bedongen
rust- en feestdagen, alsmede, indien hij bereid en in staat
was arbeid te verrichten, doch de beheerder of diens per-
soneel daarvan geen gebruik maakt of heeft mogen maken;
dit laatste ter beoordeeling van het Hoofd van plaatselijk
bestuur of van een anderen door het Hoofd van Gewestelijk
Bestuur aan te wijzen ambtenaar.
6. Het bedrag en de verrekening der genoten voorschotten.
Het maximum bedrag, hetwelk aan voorschot mag wor-
den verleend, wordt door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur
vastgesteld.
- 10 -

7. Den duur der werkovereenkomst.


8. D e rust- en de voor den werkman gebruikelijke
godsdienstige feestdagen, waarop niet gewerkt wordt, zullende
het aantal rustdagen ten minste twee in de maand bedragen.
In de werkovereenkomst ten behoeve van spoor- en
tramwegondernemingen voor publiek verkeer in exploitatie
kan worden volstaan met de vermelding van het aantal da-
gen, ten minste twee in de maand, waarop van den werk-
man geen werk zal gevorderd worden.
V a n vrouwelijke werklieden mag bovendien geen ar-
beid worden gevorderd kort voor hare te verwachten be-
valling, noch binnen dertig dagen na die gebeurtenis of na
een miskraam, noch gedurende de eerste twee dagen van
de menstruatieperioden.
Deze dagen worden beschouwd als ziektedagen, al
zijn zij niet in een ziekeninrichting doorgebracht.
9. D e verplichting van den werkgever om op zijn
kosten te voorzien in de huisvesting en geneeskundige be-
handeling en verpleging van den werkman en diens gezin,
alsmede om aan het achtergebleven gezin van den buiten
zijne woning verpleegden werkman tijdens den duur van
diens ziekte kosteloos voeding te verstrekken, ingeval dat
gezin niet in zijn levensonderhoud kan voorzien.
10. D e verplichting van den werkgever om op zijne
kosten bij eventueel overlijden van den werkman tijdens
den duur van de werkovereenkomst voor diens behoorlijke
begrafenis te zorgen.
11. D e verplichting van den werkgever om den werk-
man, tenzij deze in het gewest wenscht te blijven en daartegen
op grond van de ter zake geldende bepalingen geen bezwaar
bestaat, na afloop van zijn werkovereenkomst met zijn gezin
naar de plaats van zijn oorspronkelijke herkomst kosteloos
terug te zenden.
12. Het beding, dat de werkman niet tegen zijn w i l
van zijn gezin zal worden gescheiden.
13. D e verplichting van den werkman om de hem door
den beheerder aangewezen woning in zindelijken staat te
houden en volgens haar bestemming te gebruiken.
- 11 - I
14. Het tijdstip, waarop de werkman zich op de on-
derneming behoort te bevinden en bij den beheerder behoort
aan te melden.
15. Het beding, dat op verzoek van den werkgever
c.q., den beheerder of van den werkman, hetzij wegens voort-
durende ongeschiktheid tot den arbeid van den werkman,
hetzij in andere bijzondere gevallen, ter beoordeeling van het
Hoofd van plaatselijk bestuur of van een anderen door het
Hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaar, de
werkovereenkomst als ontbonden wordt beschouwd van af
het tijdstip, waarop die ambtenaar daarover ten gunste van
de verzoekende partij uitspraak zal hebben gedaan, zullende
de andere partij zich hierbij hebben neder te leggen en afzien
van alle rechten en aanspraken, welke aan een zoodanige
verbreking van de overeenkomst zouden kunnen worden
ontleend.
(2) In de werkovereenkomsten mogen ook andere be-
dingen worden opgenomen dan in deze ordonnantie en het
daarbij behoorend modelcontract, zijn vermeld, met dien
verstande dat niet-naleving van die andere bedingen geen
strafrechtelijke aansprakelijkheid ten gevolge heeft en dat,
voorzoover die bedingen in strijd zijn met de voorschriften
van deze ordonnantie of met bedoeld model, zij als niet
geschreven worden beschouwd, blijvende de contracten overi-
gens van kracht.

Artikel 5. Bij spoor- en tramwegondernemingen voor


publiek verkeer in exploitatie is de werkgever bevoegd om
op den werkman, die op den voet van deze ordonnantie
een werkovereenkomst heeft gesloten, toe te passen de
dienstreglementen, bedoeld bij artikel 3 van het algemeen
reglement voor de spoorwegdiensten in N e d e r l a n d s c h - I n d i ë
(Staatsblad 1895 N o . 300) en bij artikel 4 van het algemeen
reglement op den aanleg en de exploitatie van tramwegen met
machinale beweegkracht, bestemd voor algemeen verkeer in
Nederlandsch-Indië (Staatsblad 1905 N o . 516).

Artikel 6. (1) Indien de onderneming of ondernemingen,


w a a r v o o r de werkman zich heeft verbonden, aan een ande-
- 12 ~

ren werkgever overgaat of overgaan, blijft de werkovereen-


komst gedurende den daarbij bedongen duur van kracht en
blijven de voorschiften van deze ordonnantie daarop van
toepassing, voorzoover de overeenkomst betreft de onderne-
ming, waar de werkman bij den overgang werkzaam was. De
nieuwe werkgever treedt alsdan ten aanzien van den werkman
in alle rechten en verplichtingen, welke voor den oorspron-
kelijken werkgever uit de werkovereenkomst voortvloeiden.

(2) V a n den in de vorige alinea bedoelden overgang


moet door den nieuwen werkgever binnen 3 dagen, nadat
hij is opgetreden, aan het Hoofd van plaatselijk bestuur
mededeeling worden gedaan met vermelding van zijn naam
en van zijn woonplaats.
Is de nieuwe werkgever geen werkgever in den zin van
deze ordonnantie, dan worden de werkovereenkomsten van
af het tijdstip van den vorenbedoelden overgang als ontbon-
den beschouwd.
(3) D e werkman kan tijdens den duur van zijn werkover-
eenkomst met toestemming van den werkgever in dienst van
een anderen werkgever treden. O p deze overgang is het
bepaalde bij het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing.

A r t i k e l 7 (1) M e t uitzondering van de op den voet


van de voor Java en M a d o e r a geldende Wervingsordonnan-
tie aangegane rechtsgeldige immigratie-contracten en behoudens
het bepaalde in de volgende alinea, zijn de immigratie-con-
tracten niet rechtsgeldig voordat van het bestaan daarvan
gebleken is uit akten, verleden ten overstaan van een door
het Hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaar,
die bevoegd is, zoo voor zich zeiven als voor de werklieden,
de akten te onderteekenen.
(2) D e immigratie-contracten „gesloten op een plaats
in het buitenland, waar volgens de uitdrukkelijke en openlijke
verklaring der Regeering voldoende controle op de landver-
huizing wordt uitgeoefend," moeten worden bekrachtigd door
een door het Hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen
ambtenaar.
- 13 -

Die bekrachtiging wordt alleen geweigerd als de over-


eenkomst niet voldoet aan de vereischten, gesteld bij artikel
4 van deze verordening, dan wel indien de werkovereenkomst
niet binnen den daarvoor gestelden termijn aan den betrokken
ambtenaar is aangeboden.
(3) Een gelijke bekrachtiging als in het eerste lid van
de vorige alinea bedoeld, wordt vereischt voor de reënga-
gements-contracten.
(4) De medewerking tot het tot stand komen van de
in de eerste alinea bedoelde akten of de bekrachtiging der
in de vorige alinea bedoelde contracten wordt door den
betrokken ambtenaar geweigerd, indien de werkovereenkomst
niet voldoet aan de daaromtrent bij of krachtens deze ordon-
nantie gestelde vereischten of niet binnen den daarvoor vast-
gestelden termijn aan hem is aangeboden, dan wel bij hem
het vermoeden bestaat van aanwezigheid van dwang, dwaling
of misleiding.
(5) Bij de in de 2e en 4e alinea bedoelde weigering kan
de werkgever c.q. de beheerder binnen twee dagen de be-
slissing van het Hoofd van Gewestelijk bestuur inroepen.
Is binnen dien termijn die nadere beslissing niet inge-
roepen of heeft genoemd Bestuurshoofd het beroep afgewezen,
dan is artikel 16 van toepassing.
(6) Bij weigering der bekrachtiging verliest de werk-
overeenkomst haar rechtsgeldigheid van af den dag der
weigering.
(7) Van de totstandkoming of van de bekrachtiging
van elke werkovereenkomst wordt door den betrokken amb-
tenaar aan den voet van elk exemplaar der akte melding
gemaakt en aanteekening gehouden in een register, waar-
van het model door den Gouverneur-Generaal wordt vast-
gesteld.
Voor deze registratie is de werkgever twee gulden vijftig
cent per werkman verschuldigd voor de immigratie-contracten
en één gulden vijftig cent voor de reëngagementscontracten.
Het Hoofd van gewestelijk bestuur regelt de wijze, waar-
op deze bedragen in 's Lands kas worden gestort.
(8) Het Hoofd van gewestelijk bestuur regelt den termijn,
~ 14 ~

binnen welken de akten der in de 2de en 3de alinea van dit


artikel bedoelde werkovereenkomsten aan den betrokken amb-
tenaar moeten zijn aangeboden.

D e akten der werkovereenkomsten zijn vrij van zegel


en worden volgens een door den Gouverneur-Generaal vast
te stellen model in tweevoud opgemaakt, waarvan een ex-
emplaar bestemd is om ia het archief van het Hoofd van
plaatselijk bestuur bewaard te blijven.

Art. 8. (1). Een werkman, die een werkovereenkomt als


bedoeld in artikel 7 heeft gesloten, kan tijdens den duur
van die overeenkomst niet door een anderen werkgever in
dienst worden genomen.
(2) Een in strijd met dit voorschrift aangegane werk-
overeenkomst, is nietig.

A r t . 9 (1). Behoudens het bepaalde in de volgende ali-


nea mag de werkman zich van de onderneming, waar hij
werkzaam is, niet verwijderen zonder schriftelijke vergun-
ning, afgegeven door den beheerder of iemand door dezen
daartoe aangesteld, behalve op de dagen, waarop van hem
krachtens de overeenkomst geen werk kan worden gevor-
derd en wanneer hij klachten wegens slechte behandeling
tegen den werkgever, den beheerder of diens personeel
gaat inbrengen.
(2) Bij spoor- en tramwegondernemingen voor publiek
verkeer in exploitatie mag de werkman, bestemd voor dien-
sten op den weg, de stations of de treinen, gedurende den
bepaalden werktijd den hem aangewezen post onder geen
voorwendsel zonder vergunning van zijn chef verlaten.
M o c h t de werkman zich over slechte behandeling van den
werkgever, den beheerder of diens personeel willen beklagen
bij de bevoegde autoriteit, zoo staat hem dit vrij, ook op
werkdagen en zonder vergunning van zijn chef.
V a n zijn voornemen om te gaan klagen zal door hem
echter minstens 24 uren tevoren, na afloop van zijn dienst,
behooren te worden kennisgegeven aan den chef van het
naastbijgelegen station of de naastbijgelegen halte.
— '15 —

(2a) Het in het vorig lid bepaalde geldt eveneens


voor werklieden bij mijnbouwondernemingen, de daarbij be-
doelde kennisgeving zal aan hunnen onmiddellijken chef die-
nen te geschieden.

(3) D e werkman is verplicht, geregeld zijn arbeid te


verrichten, de hem door den beheerder of diens personeel
gegeven bevelen met betrekking tot zijne contractueele ver-
plichtingen getrouw na te komen en in alles zich overeen-
komstig zijn contract te gedragen.
(4) D e werkman is verplicht bij rampen van hooger
hand of dreigend gevaar, op aanzegging van den beheerder
of diens personeel, ook buiten de bij de werkovereenkomst
bedongen werkuren en op de dagen, waarop anders niet
gewerkt wordt, voorzoover hij op die dagen zich op de
onderneming bevindt, hulp te verleenen, waarvoor geen loon
verschuldigd is.

Art. 10. (1) Werklieden die tijdens den duur der over-
eenkomst buiten de onderneming terecht gestaan of een
vrijheidsstraf ondergaan hebben, dan wel zij, die na een
afwezigheid wegens verlof, ziekte of anderszins niet derwaarts
binnen den toegestanen of door het plaatselijk bestuur v o l -
doende geachten tijd terugkeeren, kunnen namens de politie
door personeel van den werkgever naar de onderneming
teruggevoerd worden. In bepaalde gevallen, ter beoordeeling
van het Hoofd van plaatselijk bestuur, kan de politie daarbij
op kosten van den werkgever haar bemiddeling verleenen.
(2). Eveneens draagt de werkgever de kosten van opzen-
ding van den werkman naar de plaats, waar hij tengevolge
van een overtreding van deze ordonnantie moet terechtstaan.

Art. 11. Werklieden, die zonder schriftelijke toestemming


van den betrokken geneesheer-directeur zich verwijderen uit
de in de ordonnantie van 6 Sept. 1910 (Staatsblad N o . 469)
bedoelde ziekeninrichtingen, waarin zij zijn opgenomen, kunnen
op verzoek van dien geneesheer door de politie of namens
deze, door het personeel van den werkgever voor rekening
van dezen naar voormelde ziekeninrichting worden terug-
gevoerd.
— 16

Art. 12. (1) De werkgever is verplicht zorg te dragen


dat zijn werklieden goed worden behandeld, dat het bedongen
loon hun geregeld en rechtstreeks wordt uitbetaald, dat aan
de werklieden en hunne gezinnen kosteloos een voegzame
huisvesting met goed bad- en drinkwater en, in een behoorlijke
ziekeninrichting, vrije geneeskundige behandeling en verpleging
met inbegrip van de noodige medicamenten worden verschaft
ook in geval van verwondingen niet in zijn dienst ontstaan.

(2) De werkman of het hd van diens gezin, die ter


verpleging in een ziekeninrichting wordt opgenomen, heeft
zoolang hij aldaar wordt verpleegd, recht op vrije, volledige,
toebereide voeding.
(3) De werkgever is verplicht zorg te dragen, dat het
vervoer der werklieden naar de ondernemingen, waarvoor zij
zich hebben verbonden, en naar de ziekeninrichtingen, waarin
zij wegens ziekte zullen worden opgenomen, plaats vindt op
de door het Hoofd van gewestelijk bestuur voorgeschreven
wijze.
(4) De werkgever is voorts verplicht op door het Hoofd
van gewestelijk bestuur te bepalen wijze aan de werklieden
de gelegenheid te geven om geregeld kennis te nemen van
den stand hunner rekening en het aantal verzuimdagen, zoo-
mede hun een volgens een door dat bestuurshoofd vastgesteld
model opgemaakte kaart te verstrekken, waarop de naam,
de landaard of stam, de werkelijke of geschatte ouderdom,
de lichaamslengte in centimeters, de datum van indiensttreding,
de duur der overeenkomst van den betrokken werkman bene-
vens den naam van de onderneming, waartoe hij behoort,
en de dagen, waarop hij vrij is, zijn aangeteekend.
(5) De werklieden zijn verplicht die kaart steeds bij zich
te dragen, als zij zich van de onderneming verwijderen en
dezelve op aanvraag aan het bestuur te vertoonen.
(6) V a n het in geld uit te betalen gedeelte van het loon
van den werkman mogen, behoudens het bepaalde in art. 5,
alleen die inhoudingen plaatsvinden, welke bij de werkover-
eenkomst bepaald zijn, zoomede wegens de ten behoeve van
den werkman door den werkgever voorgeschoten belasting,
en de betalingen, waartoe de werkman bij rechterlijke uitspraak
— 17 -

is veroordeeld. Geen inhouding mag plaatsvinden voor aan


den werkman door den werkgever, den beheerder, of diens
personeel, opgelegde boeten.
(7) In geen geval mogen de in de vorige alinea bedoelde
inhoudingen gezamenlijk meer bedragen dan een vierde gedeelte
van het sedert de laatste loonsbetaling verdiende loon, met
dien verstande, dat bij de ontbinding der werkovereenkomst
bovendien de voor den werkman voorgeschoten, door deze
nog niet terugbetaalde, belasting in haar geheel van het ver-
diende loon mag worden ingehouden.

Art. 13 (1) De werkgever is verplicht op de door het


Hoofd van gewestelijk bestuur voorgeschreven wijze de betaal-
en andere boeken, bevattende de rekening-courant van den
werkman, aan te houden en desverlangd aan het bestuur en
aan de ambtenaren van de Arbeidsinspectie inzage te geven
van alle bij deze ordonnantie voorgeschreven bescheiden.
(2). De in de vorige alinea bedoelde ambtenaren alsmede
de hen vergezellende beambten hebben steeds toegang tot de
plaatsen, waar de werklieden zijn tewerkgesteld en tot de
gebouwen, waar de werklieden verblijf houden of verpleegd
worden.
Artikel 14. (1). De werkgever is verplicht den werk-
man binnen drie dagen na de ontbinding van de werkover-
eenkomst een ontslagbrief te geven, tenzij de ontbinding der
werkovereenkomst een gevolg is van het overlijden van den
werkman, dan wel de dienstbetrekking met denzelfden werk-
gever krachtens een nieuwe werkovereenkomst op den voet
dezer ordonnantie wordt voortgezet.
(2) . In de gevallen, waarin krachtens de vorige alinea
de uitreiking van een ontslagbrief vereischt wordt, zoomede
bij overlijden van den werkman, geeft de beheerder binnen
acht dagen na de ontbinding van de werkovereenkomst daar-
van schriftelijk kennis aan den in artikel 7 alinea 7 bedoel-
den ambtenaar, die daarvan in het te dier plaatse vermeld
register aanteekening houdt.
(3) . Het model van den ontslagbrief wordt vastgesteld
door het Hoofd van gewestelijk bestuur.
— is -»
(4). D e werkgever is verplicht op den ontslagbrief te
vermelden den naam, landaard c.q. stam, werkelijken of ge-
schatten ouderdom en lichaamslengte in centimeters van den
werkman, zoomede de verdere door het Hoofd van geweste-
lijk bestuur noodig geoordeelde gegevens.

Artikel 15. D e werkovereenkomst eindigt door den


dood van den werkman, maar niet door den dood van den
werkgever.

Art. 16 (1). D e werkgever is verplicht bij elke ontbin-


ding van de laatste met een werkman gesloten werkover-
eenkomst, dezen en diens gezin, bij overlijden van den
werkman, diens gezin, met de eerst mogelijke gelegenheid
kosteloos terug te zenden naar de plaats zijner oorspronke-
lijke herkomst, tenzij de werkman in het gewest wenscht te
blijven en hij voldoet aan de bepalingen op de toelating
en vestiging voor zoover deze voor hem gelden.
(2) . Totdat de in het vorige lid bedoelde gelegenheid
zich voordoet, blijft de werkgever voor het onderhoud van
den werkman en diens gezin aansprakelijk.
(3) . Indien de werkman en diens gezin niet dadelijk
van de hun in het eerste lid van dit artikel geboden gele-
genheid tot terugzending gebruik maken, blijft de werkgever
op eventueel verzoek van den werkman nog gedurende één
maand na de ontbinding der werkovereenkomst tot hunne
kostelooze terugzending verplicht.
(4) . Bij niet-nakoming van de in dit artikel bedoelde
verplichtingen wordt in de vervulling daarvan voorzien door
het Hoofd van plaatselijk bestuur voor rekening van den
werkgever.

A r t . 17 (1). D e beheerder is in het algemeen verplicht


al datgene te doen en na te laten wat een goed beheerder
in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten.
(2). D e beheerder is niet alleen aansprakelijk voor het-
geen in deze ordonnantie te zijnen opzichte is bepaald, doch
ook, met en benevens den werkgever voor de nakoming van de
bij deze ordonnantie aan den laatste opgelegde verplichtingen.
- 18a -

„ A r t i k e l 17 bis. (1) A l s beheerders en opzieners of


assistenten mogen op de ondernemingen alleen werkzaam
zijn personen, die daartoe eene schriftelijke tot wederopzeg-
gens verleende vergunning van het Hoofd van gewestelijk
bestuur hebben verkregen.
(2) Ingeval deze vergunning is geweigerd, opgezegd
dan wel niet binnen den door het Hoofd van gewestelijk
bestuur bepaalden termijn is aangevraagd, kan de betrokken
beheerder, opziener of assistent desnoods met behulp van den
sterken arm van de onderneming worden verwijderd.
(3) D e in het vorige lid bedoelde maatregel wordt door
het H o o f d van gewestelijk bestuur ten uitvoer gelegd bij
een met redenen omkleed besluit, van welke beschikking de
belanghebbende binnen drie maanden na hare dagteekening
in hooger beroep kan komen bij den Gouverneur-Generaal,
welk beroep echter de tenuitvoerlegging van den maatregel
niet opschort.
(4) Geen vergunning als bedoeld in lid (1) behoeven de
personen, welke reeds een vergunning hebben verkregen van
het Hoofd van gewestelijk bestuur om als beheerder, opziener
of assistent op eene onderneming werkzaam te zijn :
a. ingevolge een der voorwaarden, waaronder concessies
zijn uitgegeven voor landbouw- en boschexploitatie (Bijblad
op het Staatsblad van N e d e r l a n d s c h - I n d i ë N o s . 6075 en
7735) ;
b. krachtens artikel 37 van de Erfpachtsordonnantie
voor de zelfbesturende landschappen in de gewesten buiten
Java en M a d o e r a (Staatsblad 1919 N o . 61.)
(5) Bij opzegging van de vergunningen, bedoeld onder
a van het vorige lid, is daarop voor zoover noodig het voor-
geschrevene in lid (2) en (3) van toepassing".

1) A r t i k e l 17 bis treedt in w e r k i n g met ingang van 1 A p r i l 1926.


Z i j ' die op dat tijdstip als beheerder, opziener of assistent op een
onderneming werkzaam zijn, worden geacht v o o r hun werkzaamheid als
zoodanig op die onderneming in het bezit te zijn v a n een vergunning als
bedoeld in het eerste l i d v a n dit artikel.
-19 —

Artikel 18. Geschillen over de uitlegging der werkover-


eenkomst worden zooveel mogelijk bij minnelijke schikking zon-
der vorm van proces door de ambtenaren der Arbeidsinspectie
dan wel door het Hoofd van plaatselijk bestuur vereffend.

W a a r zulks niet mogelijk is worden partijen, zoo noodig,


naar den burgerlijken of den strafrechter verwezen.

Artikel 19 (1). Elke willekeurige inbreuk op de werk-


overeenkomst wordt gestraft:
aan den kant van den werkgever met een geldboete
van ten hoogste f 100.— (een honderd gulden) ;
aan den kant van den werkman met hechtenis van
ten hoogste één maand of geldboete van ten hoogste vijftig
gulden.;
(2) . Indien tijdens het plegen van het feit nog geen
twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling
van den werkman wegens willekeurige inbreuk op de werk-
overeenkomst onherroepelijk is geworden, wordt hechtenis
van ten hoogste drie maanden opgelegd.
(3) . De feiten, waardoor de werkman geacht wordt op
zijn werkovereenkomst willekeurig inbreuk te maken, zijn :
a. niet voldoening aan de verplichting om zich op het
in art. 4 N o . 14 bedoelde tijdstip op de onderneming te
bevinden en zich bij den beheerder aan te melden;
b. desertie ;
c. voortgezette weigering om den verplichten arbeid te
verrichten.

Artikel 20 (1). V o o r zoover de na te noemen feiten


niet als misdrijf zijn strafbaar gesteld, wordt verzet of be-
dreiging tegen de werkgevers of hun personeel gestraft met
hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten
hoogste vijftig gulden, en beleedigingen tegen genoemde
personen, rustverstoring, weigering om den verplichten ar-
beid te verrichten, opruiing tot desertie of tot weigering
om den verplichten arbeid te verrichten, vechterij, dronken-
schap en dergelijke vergrijpen tegen de goede orde ge-
straft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geld-
boete van ten hoogste vijf en twintig gulden.
- 2 0 -

(2). Indien tijdens het plegen van verzet of bedreiging


tegen de werkgevers of hun personeel nog geen twee ja-
ren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den
schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is gewor-
den, wordt hechtenis van ten hoogste drie maanden opgelegd.

Artikel 21. Het aanmoedigen tot niet-naleving van


werkovereenkomsten of het begunstigen daarvan door het
verleenen van huisvesting aan, of het in dienst nemen van
een werkman, die niet door een behoorlijk ingevulden ont-
slagbrief of door een vanwege het bestuur aan hem uitge-
reikt schriftuur heeft bewezen geheel vrij te zijn van
dienstverplichtingen tegenover anderen wordt, elke overtre-
ding op zichzelve, gestraft, met hechtenis van ten hoogste
eene maand of geldboete van ten hoogste twee honderd gulden.

Artikel 22 (1). Elke inbreuk op de werkovereenkomst,


door den werkman gepleegd, wordt alleen vervolgd op aan-
klacht van den beheerder der onderneming, waartoe de
werkman behoort.
(2). Wegens desertie, voor de eerste maal gepleegd,
wordt de opgelegde straf niet ten uitvoer gelegd indien de
werkman binnen den hem door den rechter toegestanen
termijn naar de onderneming is teruggekeerd.

Artikel 23. Overtredingen van de voorschriften dezer


ordonnantie en van de bij de werkovereenkomst overeenge-
komen bedingen, waartegen geen bepaalde straffen zijn be-
dreigd, worden gestraft, met hechtenis van ten hoogste
twaalf dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Artikel 24. (1). D e Gouverneur-Generaal is bevoegd


om, hetzij voor alle werkovereenkomsten, hetzij voor nader
door H e m aan te duiden werkovereenkomsten van een be-
paalde soort of strekking, den in de eerste alinea van ar-
tikel 3 aangegeven maximumduur dier overeenkomsten te
verkorten, hetzij voor de ondernemingen in het geheele ge-
west, hetzij voor die in een bepaald gebiedsdeel.
(2). D e bepalingen dezer ordonnantie, houdende straf-
bedreiging tegen inbreuk op de werkovereenkomsten van de
- 21 —

zijde der werklieden en tegen weigering om den verplichten


arbeid te verrichten, alsmede die betreffende de terugbrenging
met den sterken arm van werklieden naar de onderneming
treden, zoodra de omstandigheden zulks ter beoordeeling van
den Gouverneur-Generaal toelaten, op een door Hem vast
te stellen tijdstip buiten werking voor de ondernemingen in
het geheele gewest, dan wel voor die in een bepaald gebieds-
deel, hetzij voor alle werkovereenkomsten, hetzij voor nader
door Hem aan te duiden werkovereenkomsten van een bepaal-
de soort of strekking.

A r t i k e l 24a. (1). Te Medan wordt ingesteld eene Per-


manente Commissie voor de bestudeering van de arbeidstoe-
standen ter Oostkust van Sumatra, welker leden worden
benoemd door den Gouverneur-Generaal.
(2) . Over de mogelijkheid van toepassing van de bepalingen
in het eerste en het tweede lid van artikel 24, en de mate waarin
die zal kunnen plaats hebben, wordt om de vijf jaren, voor de
eerste maal in 1930, door den Gouverneur-Generaal het advies
ingewonnen van de in het vorig lid bedoelde commissie.
(3) . De in het eerste lid bedoelde commissie dient, al
dan niet daartoe uitgenoodigd, der Regeering, den Directeur
van Justitie, den Gouverneur van Sumatra's Oostkust en het
Hoofd van het Kantoor van Arbeid van raad nopens alle
zoodanige maatregelen, welke in het belang van de verbetering
van de arbeidstoestanden kunnen worden getroffen. 1)
A r t i k e l 24 (bis). (1) De Gouverneur-Generaal is bevoegd
om bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van Neder-
landsch-Indië gehoord, en te publiceeren in de Javasche
Courant, te bepalen, dat ten behoeve van eene in het besluit
met name te vermelden onderneming, alwaar voortgezette
. toestanden, strijdig met de bepalingen dezer ordonnantie,
dan wel wantoestanden van anderen aard daartoe aanleiding
geven, tot de wederintrekking van dat besluit geene werklieden
mogen worden in dienst genomen krachtens eene werkover-
eenkomst op den voet van deze ordonnantie.

1) Artikel 24a der Koelieordonnantie Sumatra's Oostkust geldt niet


voor de gewesten Riau en Onderhoorigheden en Lampongsche Districten.
— 22 -

(2). In zoodanig geval zijn de loopende werkovereen-


komsten van rechtswege ontbonden met ingang van den dag,
na dien waarop een afschrift van het betrekkelijk besluit aan
den beheerder der onderneming zal zijn beteekend.

Artikel 25. D e v ó ó r de inwerkingtreding van deze


ordonnantie op den voet van artikel 3 van Staatsblad 1889
N o . 138 juncto Staatsblad 1923 N o . 523 geregistreerde
werkovereenkomsten blijven voor den daarbij bepaalden termijn
van kracht; de voorschriften dezer ordonnantie, met uitzon-
dering van artikel 7, zijn daarop van toepassing.

Artikel 26. Deze ordonnantie kan worden aangehaald


onder den titel van „Koelieordonnantie Sumatra's Oostkust".
KOELIEORDONNANTIE
ATJEH
EN ONDERHOORIGHEDEN

Vastgesteld bij Staatsblad 1916 No. 334

en sindsdien gewijzigd

bij Stbld. 1917 N o . 497, 1920 No. 535, 1921 No. 39

en 1925 No. 331.


— 25 -

D e „Koelieordonnantie Atjeh en Onderhoorigheden" is


gelijkluidend aan de „Koelieordonnantie Oostkust van Sumatra"
behoudens de volgende verschillen:

A r t i k e l 4 sub 4 alinea I luidt:


Het loon voor overwerk, zijnde de arbeid buiten het
aantal overeengekomen uren per etmaal, hetwelk, behoudens
het bepaalde in het volgend lid, alleen kan worden verricht
op verzoek van den beheerder en met toestemming van den
werkman.
A r t i k e l 16 (1) moet worden gelezen als volgt:
„ D e werkgever is verplicht om overeenkomstig de door
het Hoofd van gewestelijk bestuur zoo noodig vast te stellen
regelen, bij elke ontbinding enz."
Achter artikel 23 moet worden ingevoegd artikel 23a
luidende als v o l g t :
„ O p de in deze ordonnantie bedoelde werklieden is niet
van toepassing het voorschrift in artikel I, tweede alinea
der ordonnantie van 12 M a a r t 1872, Staatsblad N o . 40,
zooals deze sedert is gewijzigd en aangevuld.
V o o r hen gelden de bij artikel 4 bedoelde werkover-
eenkomsten als toelating op de onderneming voor den tijd
gedurende welken die worden nageleefd.
Gedurende dien tijd is ook artikel 4 van de in het l e
lid in de tweede plaats bedoelde ordonnantie op hen niet
van toepassing."
A r t i k e l 24a K . O . Oostkust van Sumatra ontbreekt in
die voor Atjeh en Onderhoorigheden. In plaats daarvan is
aan artikel 24 een derde lid toegevoegd luidende :
(3). D e mogelijkheid van toepassing van dit artikel en
de mate, waarin die zal kunnen plaats hebben, wordt om de
vijf jaar door den Gouverneur-Generaal aan de hand van de
ten deze voor het gewest Sumatra's Oostkust getroffen voor-
zieningen in overweging genomen."

D e beide laatste artikelen van deze K . O . luiden als v o l g t :

Artikel 25. De v ó ó r de inwerking treding van deze


~ 26 -

ordonnantie op den voet van artikel 3 van Staatsblad 1896


N o . 233 juncto Staatsblad 1911 N o . 419 en 1913 N o . 523
geregistreerde werkovereenkomsten blijven voor den daarbij
bepaalden termijn van kracht; de voorschriften dezer ordon-
nantie, met uitzondering van artikel 7, zijn daarop van toe-
passing.

Artikel 26. Deze ordonnantie kan worden aangehaald


onder den titel van „Koelieordonnantie Atjeh en Onderhoorig-
heden".
KOELIEORDONNANTIE
TAPANOELI

Vastgesteld bij Staatsblad 1918 N o . 41

en sindsdien gewijzigd

bij Stbld. 1920 N o . 535, 1921 N o . 39

en 1925 N o . 311.
- 29 ~

D e Koelieordonnantie, welke geldt voor het gewest T a p a -


noeli is eveneens gelijkluidend aan de Koelieordonnantie
„Oostkust van Sumatra" behoudens de volgende verschillen.

Artikel 16 (1) moet worden gelezen :


„ D e werkgever is verplicht om overeenkomstig de door
het Hoofd van Gewestelijk bestuur, zoo noodig vast te stellen
regelen, bij elke ontbinding enz."

Artikel 19 luidt aldus :


(1) . Elke willekeurige inbreuk op de werkovereenkomst
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand
of geldboete van ten hoogste honderd gulden.
(2) . Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee
jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling
wegens willekeurige inbreuk op de werkovereenkomst on-
herroepelijk is geworden, wordt hechtenis van ten hoogste
drie maanden opgelegd.
(3) . D e feiten, waardoor de werkman geacht wordt op
zijn werkovereenkomst willekeurig inbreuk te maken, zijn:
a. niet voldoening aan de verplichting om zich op het
in artikel 4 N o . 14 bedoeld tijdstip op de onderneming
te bevinden en zich bij den beheerder aan te melden;
b. desertie;
c. voortgezette weigering om den verplichten arbeid te
verrichten.

Artikel 24a. K . O . Oostkust van Sumatra ontbreekt in


die voor Tapanoeli. In plaats daarvan is aan artikel 24 een
derde lid toegevoegd, luidende:
(3). D e mogelijkheid van toepassing van dit artikel
en de mate, waarin die zal kunnen plaats hebben, wordt om
de vijf jaar door den Gouverneur-Generaal aan de hand van
de ten deze voor het gewest Sumatra's Oostkust getroffen
voorzieningen in overweging genomen."

D e drie laatste artkelen van deze koelieordonnantie


luiden als v o l g t :

Artikel 25. De vóór de inwerking treding dezer


- 30 -

ordonnantie op den voet van artikel 3 van Staatsblad


1886 N o . 223 en van St. 1889 N o . 182 in verband met
Staatsblad 1905 en 1913 N o s . 417 en 523 geregistreerde
werkovereenkomsten blijven voor den daarbij bepaalden ter-
mijn van kracht; de voorschriften dezer ordonnantie, met
uitzondering van artikel 7, zijn daarop van toepassing.

Artikel 26. D e bij deze ordonnantie strafbaar gestelde


feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 27. Deze ordonnantie kan worden aangehaald


onder den titel van „Koelieordonnantie Tapanoeli".
MODEL-WERKOVEREENKOMST

geldende voor alle gewesten en vastgesteld

bij Staatsblad 1925 N o . 312.


- 33 -

Uittreksel uit het Staatsblad van Nederlandsch-Indië


No. 312, 1925.

Model werkovereenkomst.
Bedoeld bij artikel 4 en lid (8) van artikel 7 der „Koelie-
ordonnantie
Vrij van zegel.
No
Wij ondergeteekenden : (1)

l i s - it ste TT
4 i j 3 ! s i «11 I I > s | S-M f , ' B onder

Z c^^w-d 0 5
ra 2 o c Ë O J > - 4) heden.

ter eenre
en
(3) rechthebbende op de
(1) Voor mannen en vrouwen afzonderlijk.
(2) Plaats, waarvan de werkman, volgens zijn opgave, herkomstig is.
(3) Naam van den werkgever ; in geval deze niet in persoon contrac-
teert dan: de naam van diens gemachtigde, met vermelding dat hij als
zoodanig handelt. '
- 34 ~

onderneming(en) (4)
gelegen in de afdeeling(en)
ter andere zijde
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt :
I. D e contractant ter eenre zal ten behoeve van de onder-
nemingen)
(4) den volgenden arbeid verrichten
~ (5)
II. Het aantal werkuren, gedurende welke de contractant
ter eenre ten behoeve van de onder I vermelde onderneming
(en) zal arbeiden,
a. bedraagt voor bovengrondschen arbeid op eiken werkdag
(6) per etmaal, indien de arbeid
wordt verricht tusschen 5Vs uur des voormiddags en 6
uur des namiddags en (7) per etmaal, indien
de arbeid geheel of gedeeltelijk tusschen 6 uur des
namiddags en 5 /» uur des voormiddags wordt verricht.
1

b. indien de arbeid geheel of gedeeltelijk (d.i. gedurende


ten minste vier uur) onder den grond plaats vindt, be-
draagt het aantal werkuren per etmaal (8).
Onder dit aantal werkuren wordt medegeteld de tijd,
gedurende welken de contractant ter eenre voor extra-werk-
zaamheden wordt gebezigd, als transporten, wachtdiensten
enz., alsmede de tijd, welke noodig is voor het rollen en
indeelen van de werklieden en om den afstand af te leggen
bij het begin van den werkdag vanaf de woning van den
werkman tot de plaats zijner tewerkstelling, en na afloop van
den arbeid, van de plaats zijner tewerkstelling tot aan zijn
woning. Hetzelfde geldt voor mijnarbeid met dien verstande
dat bij ondergrondschen arbeid het rollen en indeelen, mits

(4) Naam van de onderneming(en), waarvoor de werkman is gehuurd.


(5) Duidelijke omschrijving der soort van arbeid, welke de werkman
gehouden zal zijn te verrichten.
(6) Het aantal uren, niet meer bedragende dan tien.
Voor werklieden bij spoor- en tramwegondernemingen voor openbaar
verkeer, welke in bedrijf zijn, kan, voor zoover zij bestemd zijn voor
diensten op den weg, stations en de treinen, de werkovereenkomst een dienst-
tijd van twaalf uren per etmaal voorschrijven.
(7) Het aantal uren, niet meer bedragende dan acht.
(8) Het aantal uren, niet meer bedragende dan acht en een half.
~ 35 —

bovengronds geschiedende, en het afleggen van den afstand van


de woning tot den ingang der ondergrondsche werken en
terug tot een maximum van 1 /< uur niet in mindering komt
1
l

van het aantal werkuren, hierboven onder b vermeld.

D e contractant ter eenre kan niet gedwongen worden


meer dan 6 achtereenvolgende uren te arbeiden; de rusttijd
bedraagt ten ministe één uur (9).
III. V o o r overwerk, zijnde de arbeid buiten het aantal
overeengekomen uren per etmaal, hetwelk alleen kan worden
verricht op verzoek van den beheerder en met toestemming
van den werkman, zal door contractant ter andere aan dien
ter eenre een loon worden betaald van (10)
voor elk uur of gedeelte van een uur.
I V . D e contractant ter andere zal aan dien ter eenre
een loon geven van (11) per dag arbeids,
welk bedrag bij werken in dagtaak, zoomede bij werken op
stukloon en in aanneming, tenzij daarvoor in deze overeenkomst
andere loonen zijn bedongen, als grondslag dient bij de
berekening van hetgeen daarmede per dag moet kunnen worden
verdiend, op de volgende wijze:

(9) V o o r werklieden bij mijnbouwondernemingen alsmede v o o r werk-


lieden bij spoor- en tramwegondernemingen v o o r openbaar verkeer, welke in
bedrijf zijn, v o o r z o o v e r zij bestemd zijn v o o r diensten op den weg, de
stations en de treinen, kan deze zinsnede v e r v a l l e n .
(10) In te vullen een bedrag in geld.
D e werkovereenkomst, aangegaan ten behoeve v a n spoor- en tramweg-
ondernemingen v o o r openbaar verkeer, welke in bedrijf zijn, kan v o o r
alle werklieden zonder onderscheid mede bepalingen inhouden, die in
buitengewone omstandigheden, bij voorkomende ongevallen of ter verze-
kering v a n de veiligheid en de regelmatigheid v a n het verkeer tot langeren
dienst of werktijd verplichten tegen een l o o n per uur, gelijk aan 15/100
dan w e l 15/120 v a n het gewoon dagloon, al naar mate de bij de werk-
overeenkomst vastgestelde diensttijd tien of twaalf uren per etmaal bedraagt.
D e werkovereenkomst, aangegaan ten behoeve v a n de ondernemingen
tot exploitatie van havenwerken en kolenstations, alsmede v a n het door
scheepsagenturen uitgeoefend bedrijf k a n mede bepalingen inhouden, welke
in buitengewone omstandigheden, wanneer de belangen v a n de scheepvaart
dit bepaald noodzakelijk maken, den werkman verplichten tot een langeren
werktijd v a n ten hoogste twee boven het bij de werkovereenkomst over-
eengekomen aantal werkuren per etmaal tegen een loon per uur v a n ten
minste 15 100 v a n het gewone dagloon.
(11) In te v u l l e n een bedrag in geld.
- 36 -

V o o r t s zijn door den contractant ter eenre alsnog de


volgende loonen bedongen:

D e betaling geschiedt als volgt:

met dien verstande, dat de werkman recht heeft op het


bedongen dagloon op de bij de overeenkomst bedongen rust-
en feestdagen, alsmede, indien hij bereid en in staat was
arbeid te verrichten, doch de beheerder of diens personeel
daarvan geen gebruik maakt of-heeft mogen maken ; dit laatste
ter beoordeeling van het Hoofd van plaatselijk bestuur of
van een anderen door het Hoofd van gewestelijk bestuur
aan te wijzen ambtenaar.
V . A l s voorschot erkent de contractant ter eenre van
dien ter andere te hebben genoten een bedrag van
(11) , dat zal worden verrekend op de volgende
wijze (12)
V I . V a n den contractant ter eenre kan door dien ter
andere geen arbeid gevorderd worden op de volgende dagen:
(13) en (14)
V I I . D e contractant ter andere voorziet te zijnen koste
in voegzame huisvesting en behoorlijke geneeskundige behan
deling en verpleging van den contractant ter eenre en diens
gezin.
(12) V o o r de op den voet v a n de voor Java en M a d o e r a geldende W e r -
vingsordonnantie (Staatsblad 1914 N o . 613) aangegane immigratiecontracten
luidt sub V aldus :
A l s voorschot erkent de contractant ter eenre v a n dien ter andere te
hebben genoten een bedrag v a n (11) zullende hem
bij wijze v a n voorschot bij de inscheping een gelijk bedrag en ter plaatse
van ontscheping of v a n bestemming een bedrag v a n
(11) worden uitbetaald, welke voorschotten zullen w o r -
den verrekend op de volgende w i j z e :
(13) Duidelijke vermelding der v o o r den werkman gebruikelijke gods-
dienstige feestdagen.
(14) Duidelijke vermelding der rustdagen, welker aantal tenminste twee
i n de maand moet bedragen.
In de werkovereenkomst ten behoeve v a n spoor- en tramwegonderne-
mingen v o o r openbaar verkeer, welke in bedrijf zijn, kan w o r d e n volstaan
met de vermelding v a n het aantal dagen, ten minste twee in de maand, waar-
op v a n den w e r k m a n geen werk zal gevorderd w o r d e n .
Ingeval de werkovereenkomst betrekking heeftop vrouwelijke werklieden
wordt onder V I aangevuld als volgt: „alsmede kort voor hare te verwachten
bevalling en binnen dertig dagen na gemelde gebeurtenis of na een miskraam,
en gedurende de eerste twee dagen v a n de menstruatieperioden".
— 37 —

V I I I . Gedurende de geneeskundige verpleging van con-


tractant ter eenre buiten zijne woning zal contractant ter
andere aan diens gezin kosteloos voeding verstrekken, ingeval
het in zijn levensonderhoud niet kan voorzien.

I X . D e contractant ter andere is verplicht op zijne kosten,


bij overlijden van den contractant ter eenre, voor diens be-
hoorlijke begrafenis te zorgen.
X . De contractant ter andere is verplicht op zijne kosten
den contractant ter eenre, tenzij deze in het gewest wenscht
te blijven en hij voldoet aan de bepalingen op de toelating en
vestiging voorzoorver deze voor hem gelden, met zijn gezin
na afloop van de werkovereenkomst naar de plaats van
oorspronkelijke herkomst (2)
terug te zenden.
X I . D e contractant ter andere zijde zal den contractant
ter eenre niet tegen diens w i l van zijn gezin scheiden.
X I I . D e contractant ter eenre is verplicht de hem door
den beheerder aangewezen woning in zindelijken staat te
houden en volgens haar bestemming te gebruiken.
X I I I . D e contractant ter eenre zal zich op den
dag der maand des jaar 1900 en op
de onderneming bevinden en bij den beheerder aanmelden.
XIV. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor den
tijd van gerekend van de dagteekening
dezer akte.
XV. O p verzoek van een der partijen, wordt deze
werkovereenkomst, hetzij wegens voortdurende ongeschiktheid
tot den arbeid van den contractant ter eenre, hetzij in andere
bijzondere gevallen, ter beoordeeling van het Hoofd van
plaatselijk bestuur of van een anderen door het Hoofd van
gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaar als ontbonden
beschouwd van af het tijdstip waarop die ambtenaar daarover
ten gunste van de verzoekende partij uitspraak zal hebben
gedaan, zullende de andere partij zich hierbij nederleggen en
afzien van alle rechten en aanspraken, welke aan een zoo-
danige verbreking van de overeenkomst zouden kunnen
worden ontleend.
- 38 -

Aldus overeengekomen te (15)


? op heden den dag der
maand des jaars 1900 en

D e contractant ter andere zijde:


(16)
D e contractant(en) ter eenre zijde :
(16)

Handtee- Handtee-
No.
X 7
Naam
X T
. No. Naam
kenmg kening

Bovenstaande waarmerken in onze tegenwoordigheid


gezet.
D e getuigen, (16)

Deze overeenkomst(en) door mij bekrachtigd op heden


dag der maand des jaars
1900 en (16)
, den
- (17)
(16)
(15) Plaats, waar de overeenkomst wordt gesloten.
(16) Uitsluitend v o o r r e ë n g a g e m e n t s c o n t r a c t e n .
(17) Handteekening v a n den ambtenaar die de overeenkomst(en) be-
krachtigt met vermelding v a n diens ambt.
(18) Uitsluitend v o o r immigratiecontracten, met dien verstande dat het
tweede l i d v a n het onderschrift met de onderteekening v o o r de op den voet
van de W e r v i n g s o r d o n n a n t i e gesloten overeenkomsten aldus moet luiden:
„ E n is ten teeken van het vorenstaande en in o p v o l g i n g v a n paragraaf
8 der voorschriften tot U i t v o e r i n g v a n de W e r v i n g s o r d o n n a n t i e (Bijblad
N o s . 8112 en 8174) deze akte door den contractant ter andere zijde en mij
onderteekend".
D e contractant ter andere zijde, De Wervingscommissaris,

(19) Handteekening v a n den ambtenaar ten wiens overstaan de over-


eenkomst(en) wordt(en) verleden met vermelding v a n diens ambt.
- 39 —

Nadat deze overeenkomst door partijen te mijnen over-


staan was aangegaan, heb ik haar aan partijen voorgelezen
en aan den werkman in zijn landstaal duidelijk voorgehouden.
Daarna heb ik mij overtuigd, dat partijen deze overeenkomst
uit vrijen wil hebben gesloten en dat aan den werkman een
bedrag van (11) is uitbetaald, zooals
overeengekomen is onder V der overeenkomst.
En is ten teeken van het vorenstaande en in opvolging
van artikel 7 lid 1 der „Koelieordonnantie " deze
akte door den contractant ter andere zijde en mij onder-
teekend. (18).
De contractant ter andere zijde (18).
(19)
(18)
Behoort bij artikel 2 van het besluit van 29 Juni 1925
No. 15 (Staatsblad N o . 312