Anda di halaman 1dari 6

Adviesrollen = Hebben betrekking op de wijze waarop (interne en externe) organisatieadviseurs problemen in bedrijven aanpakken.

Arbeidsverdeling = De opsplitsing van uit te voeren taken in deeltaken. Cordinatie = Het complement van arbeidsverdeling in een organisatie. Decompositie = Methode van vormgeving van de organisatiestructuur van een bedrijf waarbij onafhankelijke eenheden (bijvoorbeeld divisies) worden gevormd. Eenheid van bevel = Elke medewerker krijgt uitsluitend leiding of aanwijzingen van n chef. Wenheid van leiding binnen een bedrijf = Wanneer alle managers op de verschillende hirarchische niveaus, ondanks verschillende verantwoordelijkheden, een gecordineerd beleid voeren, gericht op de doelstellingen van het bedrijf. Bij eenheid van leiding staan alle neuzen dezelfde kant op. Formele organisatie = Het geheel aan vastgelegde taakverdelingen, functieomschrijvingen, gedragsregels en procedures die een bedrijf kent. Een functie van een medewerker = Bevat naast de taken die moeten worden uitgevoerd, tevens de doelstelling die de medewerker in zijn werk moet behalen. Functieanalyse = Onderzoek naar de inhoud van functies binnen een bedrijf. Functieomschrijving = Geeft informatie aan de betrokken medewerker over wat er van hem verwacht wordt in zijn functie. Functiewaardering = Is er op gericht de zwaarte van de verschillende functies in een bedrijf vast te stellen. Factorvergelijkingsmethode = Hierbij wordt een aantal voorbeeldfuncties (ijkfuncties) genomen en gewaardeerd op kenmerken. Puntenmethode = Hier gaat men uit van een aantal kenmerken die voor functies gelden. Functieclassificatie = Overzicht van de relatieve zwaarte van alle in een bedrijf voorkomende functies. Pioniersfase = Een entrepreneursorganisatie met een sterke leider en veel informele communicatie en organisatie. Differentiatiefase = De entrepreneur heeft een aantal functionele lijnafdelingen onder zich, die de organisatie formaliseren, maar er is geen sprake van delegatie. Integratiefase = Een volwassen organisatie, waarin onderlinge samenwerking voorop staat en managers en medewerkers hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Groei door creativiteit. = Een typische entrepreneursorganisatie. Groeit het bedrijf, dan ontstaat de crisis van het leiderschap.

Groei door leiding. = Functionele chefs, procedures en voorschriften zorgen voor cordinatie van activiteiten. Deze fase eindigt met de crisis van de autonomie, middle managers willen meer bevoegdheden. Groei door delegatie. = In deze fase ontstaat een divisiestructuur met veel bevoegdheden voor het middle management. Aan het eind van deze fase ontstaat de beheersingscrisis, afdelingen gaan teveel een eigen bestaan leiden. Groei door cordinatie. = Centrale staven spelen hier een belangrijke rol bij het cordineren van de lijnmanagers op middle managementniveau. Aan het eind van deze groeifase doemt het spook van de bureaucratie (crisis van de red tape). Groei door samenwerking. = De crisis van de red tape kan worden overwonnen door meer samenwerking tussen afdelingen, matrixstructuur, projectgroepen en dergelijke. Horizontale taakverdeling of verbijzondering = Betreft de wijze van verdeling van taken tussen medewerkers, die op een zelfde hirarchisch niveau werkzaam zijn. Multiplicatie = Hiervan is sprake wanneer medewerkers op eenzelfde niveau tegelijkertijd dezelfde werkzaamheden verrichten. F-indeling = Bij een horizontale taakverdeling naar functie, ontstaan functionele afdelingen op een bepaald hirarchisch niveau, waarin gelijksoortig werk wordt verricht (Inkoop, Productie, Verkoop, Administratie, Personeel enzovoort). P-indeling = Hierbij specialiseren medewerkers op een bepaald niveau zich in een bepaald product. G-indeling = Biedt mogelijkheden voor medewerkers om te voldoen aan specifieke wensen die een bepaald geografisch gebied stelt. M-indeling = Hierbij taken verdeeld naar soort afnemers, bijvoorbeeld: Kinderkleding, Herenkleding en Dameskleding. Hulpdiensten in een bedrijf = Afdelingen, die lijnmanagers ondersteunen bij de uitvoerende werkzaamheden. Informele organisatie = Betreft alle gedragsregels en afspraken van medewerkers binnen het bedrijf, die zij in het werk hebben ontwikkeld als aanvulling op de formele organisatie. Gepoolde interdependentie = Hierbij worden relatief onafhankelijke taken gecordineerd door een gemeenschappelijke hirarchisch bovengeschikte. Serile interdependentie = Hier is de ene afdeling directe afhankelijk van de output van een andere afdeling. Reciproque interdependentie = Afdelingen zijn wederzijds afhankelijk van elkaar. Planeet-satellietorganisatie = Hierbij is er een dominante partij , die een aantal andere bedrijven aan zich bindt.

Virtuele organisatie = Is een geografisch gespreide organisatie, waarvan de medewerkers een binding met elkaar hebben op basis van gemeenschappelijke interesses en doelstellingen en die communiceren en hun werk cordineren met behulp van informatietechnologie. Nodes-organisatie = Decentralisatie de kracht van organisaties in de toekomst, organisaties die functioneren als netwerken. Elk netwerk heeft twee elementen: knooppunten (kleine zelfstandige organisaties) en verbindingen tussen deze punten (connections, verbindingen en communicatie tussen deze zelfstandige organisaties). Een organisatieadviseur = Is een gespecialiseerde deskundige, die een bedrijf of afdeling advies geeft over de ideale organisatiestructuur. Organisatieontwerp = Het vorm geven van de organisatiestructuur, door horizontale en verticale taakverdeling. Het resultaat daarvan is een bepaald organisatiestelsel. Steile organisatie = Hierbij komen er veel hirarchische niveaus voor en is de spanwijdte van managers beperkt. Platte organisatie = Hierbij hebben de managers een grote spanwijdte, waardoor er betrekkelijk weinig niveaus voorkomen in de hirarchie. Een organisatieschema = Een schematische voorstelling van een organisatiestructuur. Organisatiestelsels = De hoofdvormen van organisatiestructuren van een bedrijf, die we kunnen onderkennen. Lijnorganisatie = Een organisatiestelsel, waarin uitsluitend hirarchische (lijn-)relaties voorkomen. Hierbij is sprake van eenheid van bevel. Lijn- en staforganisatie = Een organisatiestelsel, waarbij naast lijn- ook stafafdelingen voorkomen. Lijn- en staforganisatie met functionele relaties = Een lijn- en staforganisatie, waarbij stafafdelingen -naast hun adviserende taak- functionele bevoegdheden hebben ten opzichte van lijnmanagers binnen het bedrijf. Projectorganisatie = Een organisatiestelsel, waarbij veel gewerkt wordt in tijdelijke samenwerkingsverbanden. Matrixorganisatie = Een organisatiestelsel, waarbij medewerkers worden aangestuurd door meer dan n hirarchische chef. Functionele chef = Is verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke kwaliteit van de medewerkers. Operationele chef, = Geeft direct leiding aan de medewerker in het kader van het project waarvoor hij is ingezet. Een ententestructuur = Een organisatiemodel, waarbij aan de top van de organisatie de besluiten gezamenlijk worden genomen, zonder hirarchische relaties.

Een organisatiestructuur = De manier waarop taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in een organisatie zijn verdeeld en de onderlinge relaties zijn geregeld. Passerelle = Dit is een horizontaal contact tussen medewerkers zonder daarbij de stappen van de hirarchie te volgen. Projectgroep = Een tijdelijk samenwerkingsverband voor het oplossen van een specifiek probleem. Puntenmethode = Een middel om tot functieclassificatie te komen. Elke functie wordt gewaardeerd op een aantal van tevoren vastgestelde criteria, door in kwantitatieve termen aan te geven hoe hoog een functie scoort op deze criteria. Vermenigvuldiging met de gewichten, die aan criteria worden toegekend, leidt tot een eindscore per functie. Quasi-evenwicht = Omgevingsontwikkelingen, aanname en ontslag van medewerkers en investeringen maken van een bedrijf een levend organisme, dat in zekere mate in evenwicht is met de omgeving. Relaties = Zijn van belang bij het op elkaar afstemmen van de taakuitvoering van die medewerkers en deze te richten op de doelstellingen van het bedrijf. Lijnrelatie (hirarchische relatie) = Dit is een relatie, waarbij sprake is van een bovengeschikte-ondergeschikte verhouding. Informele relatie = Dit zijn relaties tussen medewerkers, die niet formeel in een bedrijf zijn voorgeschreven. Laterale relatie (diagonale relatie) = Kunnen in principe voorkomen tussen alle medewerkers in een bedrijf. Zij gaan dwars door hirarchische lijnen heen. Laterale relaties verminderen de cordinatienoodzaak op de (hogere) leidinggevende niveaus. Stafrelaties = Relaties tussen een lijnmanager en zijn stafmedewerker(s) of afdelingen. Functionele relatie = Hiervan is sprake wanneer een stafafdeling dwingende voorschriften kan geven aan lijnmanagers. Stafafdelingen = Afdelingen binnen een bedrijf, die het lijnmanagement, waaraan zij zijn toegevoegd, adviseren en informeren op een specialistisch terrein. Taak = Bestaat uit de werkzaamheden - activiteiten - die een medewerker in zijn functie moet uitvoeren. Taakontwerp = Activiteit van het management van een bedrijf, waarbij sprake is van het samenbrengen van taken in een bepaalde functie, die een medewerker uitoefent. Taakspecialisatie = De mate waarin de variteit en de diepgang in de activiteiten van medewerkers is beperkt. Horizontale taakspecialisatie = Hierbij is sprake van een korte arbeidscyclus en in het algemeen eentonig en repeterend werk.

verticale taakspecialisatie = Hierbij heeft een medewerker weinig eigen inbreng in zijn werk en de planning ervan. Taakverdeling = De manier waarop het werk in een bedrijf zowel verticaal als horizontaal is verdeeld over de aanwezige medewerkers en managers. Veranderingsproces in een organisatie = Is noodzakelijk, wanneer ontwikkelingen in de omgeving of binnen het bedrijf niet langer kunnen worden verwerkt binnen de bestaande organisatiestructuur. Veranderingsstrategie = De wijze waarop het veranderingsproces wordt doorgevoerd. Reorganisatie = Schoksgewijze verandering. Bij deze aanpak van het veranderingsproces wordt in korte tijd, met weinig inspraak van medewerkers, een nieuwe organisatie-structuur ingevoerd. Organisatieontwikkeling = Bij deze veranderingsstrategie is verandering een continu proces binnen de organisatie (zodat schoksgewijze verandering wordt voorkomen). Verbijzondering = Is het samenvoegen van taken in afdelingen op een bepaald niveau in een bedrijf. Werkstructurering = Een middel om (te) ver doorgevoerde arbeidsverdeling te compenseren. Autonome groepen (zelfsturende teams) = Wanneer een groep medewerkers gezamenlijk de verantwoordelijkheid krijgt voor het leveren van een bepaalde output. Taakroulatie (job rotation) = Een groep medewerkers voert periodiek verschillende taken uit. Taakverrijking = Een medewerker krijgt naast zijn bestaande uitvoerende taken, ook een deel van de bestuurlijke taken ten behoeve van zijn functioneren. Taakverruiming = Een medewerker krijgt meerdere, verschillende taken - van eenzelfde niveau - uit te voeren. Expertrol = Hierbij stelt de adviseur zich op als deskundige en lost zelf het probleem op. Vandaar de naam arts-patintmodel voor dit adviesmodel. Begeleidersrol. = Bij deze rol is de adviseur begeleider van een proces, waarbij hij de medewerkers in de organisatie stimuleert zlf hun probleem op te lossen. Interim-management. = In dit geval gaat de betrokkenheid van de adviseur zover dat hij tijdelijk zelf leiding geeft aan de invoering van de voorgestelde veranderingen. Taylor = Een van de grondleggers van de organisatiewetenschap. Ontwikkelde een organisatiestelsel, waarbij elke medewerker op de werkvloer leiding kreeg van acht bazen. Lewin = Ontwikkelde een theorie voor organisatieverandering. Hij onderscheidt daarbij drie fasen. Unfreezing, moving en freezing.

Mintberg = Ontwikkelde een classificatie van organisaties op basis van het dominante cordinatiemechanisme in die organisaties. Interdependentie = Afhankelijkheid tussen personen en afdelingen. Horizontale relatie = Relatie tussen medewerkers of managers op een zelfde hirarchisch niveau. Mintzberg maakt een bepaald onderscheid. Welk item hoort daar bij? = (Simpele structuur.) (Machinebureaucratie.)(Persoonlijke bureaucratie.*)(Divisiestructuur.)(Adhocratie.) Welke van de onderstaande eis hoort bij een taakontwerp? = (Kostenmotief.)(Sociaal motief.) (Prestatie motief.*)(Bestuursmotief.)(Maatschappelijk motief)